Toeval

- “Is dat nou niet toevallig? Ga ik een half uur eerder van mijn werk om in de stad die laarsjes op te halen, loop ik daar Sylvia tegen het lijf.”

- “Neuh, vind ik niet zo toevallig. Sylvia werkt in de stad en rond die tijd is ze klaar met haar werk. De kans dat je haar daar tegenkomt, is dus reëel.”

- “Ja maar, dat ik nou net een half uur eerder wegga… Dat verzin je toch niet?”

- “Juist wel. Je zei gisteren zelf dat je die laarsjes vanavond heel graag aan wilde. Dan is het logisch dat je eerder weg moest van je werk om ze voor sluitingstijd te kunnen ophalen.”

- “Ach, jij ook altijd.”

Dit soort gesprekken voeren Marianne en ik dus regelmatig. Nu ben ik geen bètaman – verre van – maar volgens mij zit ik met mijn kansberekenende argumentatie dichter bij de waarheid dan zij.

Toeval is een ingewikkeld concept. Bestaat het nu wel of niet? Geestelijken en filosofen buigen zich al 5000 jaar over die vraag. Zo ook de Rome-watchers van vandaag. Die laatsten zagen de bliksem inslaan in de koepel van de St. Pieter, ‘uitgerekend’ op de dag dat paus Benedictus XVI zijn aftreden bekendmaakte. Een paar uur eerder had de Volkskrant op haar website geschreven dat het nieuws van de terugtreding in Rome was ingeslagen als een ‘bliksemslag’ bij heldere hemel. Toen ik vervolgens op Twitter een berichtje plaatste om melding te maken van die verhaspeling, bleek later dat ik dat gedaan had precies op het moment dat de bliksem daadwérkelijk insloeg…

Over Rome gesproken. Twee maanden eerder had ik vijf brieven op de bus gedaan om mijn laatste (administratieve) banden met de RK-kerk door te snijden. Maar uit de reacties werd me al snel duidelijk dat een feitelijke uitschrijving uit de RK-kerk eigenlijk niet mogelijk is. Want hoe maak je een doop ongedaan? Het gesprenkelde water is na 55 jaar wel opgedroogd, deppen kan niet meer. En je staat met je doopnamen voor eeuwig in het doopregister geïnkt, als een tatoeage in de huid. In een mailtje van één regel liet de Eindhovense parochie Sint Joris (daarin bleek mijn doop- en geboorteparochie Strijp te zijn opgegaan) mij weten dat er een aantekening in het register geplaatst was. Daaruit moest blijken dat ik de kudde had verlaten.

Zo prozaïsch was het dus: gewoon een krabbeltje – van ene mevrouw Van Gastel, zo bleek – als slotakkoord van een proces waar ik jarenlang tegenaan liep te hikken. Nu ken ik mevrouw Van Gastel niet, maar zelfs als ze blauwe ogen heeft, wil ik daar niet op vertrouwen. Dus wilde ik wel bewijs zien van deze ‘ontdoping’. Of ik dus een kopie van die aantekening doorgestuurd kon krijgen? Mail na mail stuurde ik, maar mevrouw Van Gastel zweeg als het graf.

De telefoon gepakt, precies op de dag dát… Niet mevrouw Van Gastel maar een – zo te horen – wat oudere man stond mij met merkbare tegenzin te woord.

- “U snapt wel dat u sowieso helemaal van z’n levensdagen nooit niet uit het doopregister geschrapt kunt worden?”

- “Daar ben ik inmiddels ook bang voor, ja.”

- “En u heeft toch bericht gehad dat er al een aantekening gemaakt is?”

- “Zeker”.

- “Nou dan!”

- “Tja. Ik wil het nu eenmaal zwart op wit zien. Dus nogmaals: een kopie graag!”

- “U drijft het wel op de spits, hè?”

- “Vindt u?”

Precies zes minuten nadat ik bovenstaande regels op mijn scherm had ingevoerd, vond ik beneden een envelop van Sint Joris in de bus. Inhoud: een knullig kopietje. Met mijn ‘ontdoping’ die, in tegenstelling tot mijn inlijving door Rome 55 jaar eerder, zonder enig ceremonieel vertoon heeft plaatsgevonden. Kijk, meer is het niet.

 

 

 

 

 

 

 

Wat mijn ouders hiervan zouden hebben gevonden? Misschien is de wens de vader van de gedachte maar met de wetenschap van nu hadden ze het misschien nog wel begrepen ook. De verschijning van een mooie ree in het besneeuwde bos tijdens de avondschemering van diezelfde dag – het dier keek me een halve minuut aan alvorens het struweel weer op te zoeken – heb ik maar opgevat als een bevestiging van die gedachte. Of was het betekenisloos toeval?

 

Toeval

- “Is dat nou niet toevallig? Ga ik een half uur eerder van mijn werk om in de stad die laarsjes op te halen, loop ik daar Sylvia tegen het lijf.”

- “Neuh, vind ik niet zo toevallig. Sylvia werkt in de stad en rond die tijd is ze klaar met haar werk. De kans dat je haar daar tegenkomt, is dus reëel.”

- “Ja maar, dat ik nou net een half uur eerder wegga… Dat verzin je toch niet?”

- “Juist wel. Je zei gisteren zelf dat je die laarsjes vanavond heel graag aan wilde. Dan is het logisch dat je eerder van je werk ging om ze voor sluitingstijd te kunnen ophalen.”

- “Ach, jij ook altijd.”

 

Dit soort gesprekken voeren Marianne en ik dus regelmatig. Nu ben ik geen bètaman – verre van – maar volgens mij zit ik met mijn kansberekenende argumentatie dichter bij de waarheid dan zij.

Toeval is een ingewikkeld concept. Bestaat het nu wel of niet? Geestelijken en filosofen buigen zich al 5000 jaar over die vraag. Zo ook de Rome-watchers van vandaag. Die laatsten zagen de bliksem inslaan in de koepel van de St. Pieter, ‘uitgerekend’ op de dag dat paus Benedictus XVI zijn aftreden bekendmaakte. Een paar uur eerder had de Volkskrant op haar website geschreven dat het nieuws van de terugtreding in Rome was ingeslagen als een ‘bliksemslag’ bij heldere hemel. Toen ik vervolgens op Twitter een berichtje plaatste om melding te maken van die verhaspeling, bleek later dat ik dat gedaan had precies op het moment dat de bliksem daadwérkelijk insloeg…

Over Rome gesproken. Twee maanden eerder had ik vijf brieven op de bus gedaan om mijn laatste (administratieve) banden met de RK-Kerk door te snijden. Maar uit de reacties werd me al snel duidelijk dat een feitelijke uitschrijving eigenlijk niet mogelijk is. Want hoe maak je een doop ongedaan? Het gesprenkelde water is na 55 jaar wel opgedroogd, deppen kan niet meer. En je staat met je doopnamen voor eeuwig in het doopregister geïnkt, als een tatoeage in de huid. In een mailtje van één regel liet de Eindhovense parochie Sint Joris (daarin bleek mijn doop- en geboorteparochie Strijp te zijn opgegaan) mij weten dat er een aantekening in het register geplaatst was. Daaruit moest blijken dat ik de kudde had verlaten.

Zo prozaïsch was het dus: gewoon een krabbeltje – van ene mevrouw Van Gastel, zo bleek – als slotakkoord van een proces waar ik jarenlang tegenaan liep te hikken. Nu ken ik mevrouw Van Gastel niet, maar zelfs als ze blauwe ogen heeft, wil ik daar niet op vertrouwen. Dus wilde ik wel bewijs zien van deze ‘ontdoping’. Of ik dus een kopie van die aantekening toegestuurd kon krijgen? Mail na mail stuurde ik, maar mevrouw Van Gastel zweeg als het graf.

De telefoon gepakt, precies op de dag dát… Niet mevrouw Van Gastel maar een – zo te horen – wat oudere man stond mij met merkbare tegenzin te woord.

- “U snapt wel dat u sowieso helemaal van z’n levensdagen nooit niet uit het doopregister geschrapt kunt worden?”

- “Daar ben ik inmiddels ook bang voor, ja.”

- “En u heeft toch bericht gehad dat er al een aantekening gemaakt is?”

- “Correct”.

- “En heeft u bovendien niet ook nog eens een brief ontvangen waarin de pastoor schreef dat u verwijderd zou worden uit het ledenbestand?”

- “Zeker.”

- “Nou dan!”

- “Tja. Ik wil het nu eenmaal zwart op wit zien. Dus nogmaals: een kopie graag!”

- “U drijft het wel op de spits, hè?”

- “Vindt u?”

 

Precies zes minuten nadat ik bovenstaande regels op mijn scherm had ingevoerd, vond ik beneden een envelop van Sint Joris in de bus. Inhoud: een knullig kopietje. Met mijn ‘ontdoping’ die, in tegenstelling tot mijn inlijving door Rome 55 jaar eerder, zonder enig ceremonieel vertoon heeft plaatsgevonden. Kijk, meer is het niet.

Uitschrijving RK-Kerk

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat mijn ouders hiervan zouden hebben gevonden? Misschien is de wens de vader van de gedachte maar met de wetenschap van nu hadden ze het misschien nog wel begrepen ook. De verschijning van een mooie ree in het besneeuwde bos tijdens de avondschemering van diezelfde dag – het dier keek me een halve minuut aan alvorens het struweel weer op te zoeken – heb ik maar opgevat als een bevestiging van die gedachte. Of was het betekenisloos toeval?

Ree in het bos