Blauwe tas

Op zolder, achter een schuifwandje onder het schuine dak, moet ergens een blauwe reistas staan. Vroeger ging hij vaak mee tijdens weekendjes weg. De laatste keer dat ik hem gebruikte was acht jaar geleden. Mijn moeder gaf er zomaar ineens de brui aan en overleed in haar slaap. En dus brak dat meer dan pijnlijke proces aan: het uitruimen van het huis, het wegbrengen van meubels die niemand meer wil hebben, de ritjes naar de stort: eindbestemming van dat wat was en niet meer zal zijn.

Toen we de deur van haar huisje voor het laatst dichttrokken, zaten in die blauwe tas de laatste memorabilia die niet verloren mochten gaan. Wat precies, weet ik al niet meer: ik heb de tas jarenlang niet meer ingekeken. Maar de laatste tijd neem ik me voor om hem weer op te duikelen. Aanleiding: de berichtgeving over het dorp Rawagede op Java waar Nederlandse militairen in december 1947 bijna de hele mannelijke bevolking vermoordden: 431 mannen kwamen om het leven. De Nederlandse overheid heeft eindelijk, zo schoorvoetend als maar mogelijk is, voor een schadevergoeding gezorgd voor het handjevol nabestaanden. En dan is Adriaan van Dis ook nog begonnen met een televisieserie over Nederlands-Indië en de plaats die zijn familie daar innam.

Mijn vader was namelijk een van die Nederlanders die zich – nota bene vrijwillig – aanmeldden bij het korps Mariniers om, samen met een broer, de eer van volk en vaderland aan de andere kant van de wereld hoog te houden. Wat hen bezielde? Geen idee. Een doorgeschoten trouw aan het gezag, misschien. Ik herken het bij mezelf. Als voor mij iemand op de fiets door rood rijdt, kan ik met moeite de neiging onderdrukken om een flinke demarrage in te zetten om die persoon als een soort Cor van de Laak te vragen waarom men meende zich hier niet aan de spelregels te moeten houden. We hadden toch met zijn allen afgesproken dat rood wáchten betekende? Jaaa??? Nou dan!!! Inderdaad, het is maar goed dat ik niet in Amsterdam woon…

Tot zijn dood heeft mijn vader nooit over zijn ‘Indische’ episode gesproken. Mijn vijf jaar oudere zus bevestigt dat. “Eén keer heb ik hem gevraagd waarom hij er niet over sprak. Zijn antwoord: Ach meiske, ik heb collega’s op landmijnen zien stappen en ze in stukjes door de lucht zien vliegen. Dat is het enige dat ik erover wil zeggen.” Wat we verder nog weten is dat hij zijn mariniersopleiding in Engeland volgde, waarna hij nog even in New York terechtkwam. Er bestaat een fotootje waarop mijn vader met een paar collega’s op het Empire State Building lachend de camera inkijkt. Franske uit Strijp, strak in het pak op het toenmalige hoogste gebouw van de vrije wereld. Hoe symbolisch wil je het hebben?

Er is ook een opname met vrolijke taferelen uit het legerkamp. Je ziet hem tussen een aantal maten met een petje op, de naam van mijn moeder – Annie – in witte letters op de klep geschreven. Hij kende haar toen dus al, maar koos er desondanks voor om haar achter te laten en een idiote oorlog uit te vechten in de tropen, met alle risico’s van dien. Volgens mijn zus was het iets minder vreemd dan het lijkt omdat het ‘uit’ geweest schijnt te zijn toen hij vertrok. Maar door brieven (en heimwee?) was de liefde op afstand weer opgebloeid.

Wat hij op Java deed, wanneer precies en waaróm, wat hij daar heeft meegemaakt: onlangs besefte ik pas goed dat ik daar helemaal niets van afweet. Alle verhalen nam hij mee het graf in toen hij op 60-jarige leeftijd door de kanker geveld werd.

Zou de inhoud van die tas alsnog opheldering kunnen geven? Zouden er antwoorden verscholen kunnen liggen tussen de regels door in beduimelde documenten, of in uit elkaar vallende fotoboeken? Ik weet bijna zeker van niet. Toch kriebelt het. Al was het maar om uit te kunnen sluiten dat mijn vader in Nederlands-Indië gekke dingen gedaan kan hebben. En dat daarin de reden van zijn zwijgen zou kunnen liggen. Of had hij ‘gewoon’ last van een posttraumatische stressstoornis, zoals we dat nu noemen? Die blauwe tas… ik ga hem opzoeken. Wordt vervolgd.