Kat en hond

Daarnet was het weer zo ver. Een rode, gestreepte kat die vrolijk zijn urine in het rond sproeide in de hoek van onze tuin. Zoals we nu amper nog begrijpen dat we het ooit normaal vonden om in vergaderzaaltjes, cafés, restaurants, treinen en vliegtuigen doodleuk in een verstikkende tabaksrook te gaan zitten, zo mag ik hopen dat we het over een tijd heel vreemd vinden dat de kat gewoon in de tuin van de buren zijn gang mocht gaan. Dat besef begint in ieder geval al te dagen.

Ik beken: als hondenman ben ik gevoelig voor het thema. Wij hebben het namelijk nogal eens voor onze kiezen gekregen. Elk jaar weer dat obligate berichtje in de krant: ‘Hondenpoep nog steeds grootste ergernis’. Natuurlijk erken ik dat dat probleem er was en – deels – nog is. Over pitbulls en vechthonden, hondenbeten… tja, ook die overlast is er, helaas. Maar zoals je wegpiraten hebt die onverantwoord met hun auto of motor omgaan, zo heb je ook mensen die eigenlijk geen hond moeten hebben. Ook waar: elk jaar staat er wel een bericht in de krant dat een hond een ree heeft gedood in het bos. Triest, mooie beestjes. Zou niet moeten. Mensen schreeuwen direct moord en brand maar wenden de blik af zodra hobbyjagers erop los knallen in de weken voor kerst. Want als het wild met een lekkere saus op het bordje komt, is de dood van een ree ineens niet meer zo erg.

Maar oké, die hondenbelasting hadden we aan onszelf te wijten. Al blijft het wel steken dat er met de opbrengst van die belasting niets zichtbaars gebeurt. In mijn gemeente althans niet. Extra bakken? Nee. Poepzakjesautomaten? Nada. Ondertussen komen kattenbezitters gewoon weg met de overlast die hún huisdieren veroorzaken. Want behalve de kadootjes die ze in onze tuinen achterlaten, pakken ze onschuldige merels en roodborstjes. Of anders wel die ene zeldzame bruine lijster die in ons land gesignaleerd wordt. Half afgekloven muizen deponeren op de drempel van de keuken… daar zijn ze ook heel goed in. Knap hoor. Of meneer trakteert de buurt, samen met een aantal rivalen, ‘s nachts op een ijselijk gekrijs als er weer een krolse poes in de buurt is. Voor de rest ligt hij de hele dag lekker eigenzinnig en onafhankelijk te wezen op krant of laptop. Omdat we van Midas Dekkers moeten vinden dat dat zijn charme is, dóen we dat nog ook.

Wat stellen verschillende delegaties van de hondenpopulatie daar allemaal tegenover, nog afgezien van die onzinnige belasting? Ten eerste hebben ze humor, zo blijkt maar weer eens uit dit bericht.

hond-en-humor

En verder? Honden helpen blinden hun weg te vinden, beschermen veteranen met het posttraumatisch stresssyndroom, waarschuwen hun baasje dat er een epileptische aanval zit aan te komen, bieden structuur aan het leven van kinderen met autisme, vinden slachtoffers van aardbevingen onder puinhopen, sporen vermisten op, hoeden schapen, bieden hulp in de huishouding aan MS-patiënten, grijpen misdadigers bij hun lurven, signaleren drugs in koffers en containers, bewaken huizen en schrikken inbrekers af. En vrijwel alle honden brengen hun baasjes elke dag drie of vier keer in beweging waardoor ze aan hun 10.000 stappen per dag komen, hart- en vaatziekten voorkomen, hun hoofd leeg kunnen maken, ’s avonds de buurt in de gaten houden, sociale contacten opdoen en nader tot elkaar komen.

De betekenis van de hond voor onze samenleving is bepaald géén kattenpis: het dier vertegenwoordigt een enorme economische en sociaal-maatschappelijke waarde. En dus: weg met de belasting op hondenbezit. Poezenmensen: ik gun jullie het geluk van gezellig gespin bij een knapperend haardvuur, echt. Maar als het aan mij ligt, nemen jullie het belastingstokje nu eens van ons over. Voor minstens een eeuw.

Nacht

Elke keer als ik voor het slapen gaan de lichten doof in de huiskamer, moet ik aan Boomer denken. Mijn lief en ik raakten nogal van ons stuk door het verlies van onze eerste hond, nu vierenhalf jaar geleden. Inmiddels heeft hij een meer dan waardige opvolger gekregen in Joop. Om eerlijk te zijn: die is nog een stuk aanhankelijker en speelser. Maar dat we Joop nog steeds wel eens per ongeluk Boomer noemen, zegt ook wel iets.

Dat Boomer door mijn hoofd schiet als de nacht aanbreekt, heeft alles te maken met de laatste week die ik met hem doorbracht. Mijn lief was met vakantie met een vriendin toen de rusteloosheid in zijn trouwe, maar dementerende hondenkop verergerde. Elke nacht meldde Boomer zich vele malen met een licht, maar onmiskenbaar gepiep dat steeds vaker op gehuil begon te lijken. Daarom sliep ik tijdens die laatste periode in mijn kleren op de bank in de huiskamer. Boomer in de buurt. Nou ja, sliep… Het waren hazenslaapjes, afgewisseld met slaapdronken gewankel naar de grijze geitenbreier terwijl de paniek door mijn hoofd joeg. ‘Jongen, je gáát toch niet? Niet nu je vrouwtje ergens in Afrika is? Moet je plassen? Heb je pijn? Wat ís er nou toch?’ Het beeld van die nachtelijke huiskamer is onlosmakelijk verbonden met de machteloosheid die toen bezit van me nam. Want waaróm Boomer zich liet horen… je kon er slechts naar gissen.

De kamer was bepaald niet aardedonker, de gordijnen aan de voorkant van het huis lieten het licht van de lantaarn bij de voordeur met gemak door. De silhouetten van stoelen, een vaas op tafel, van schemerlampen en kasten waren duidelijk zichtbaar. De groene digitale cijfers op het display van de videorecorder, precies in mijn gezichtsveld als ik op mijn linkerzij lag, lieten zien hoe de tijd verstreek. Als Boomer stil was, maar ik de slaap desondanks niet kon vatten, telde ik in gedachten tot zestig. Het was de sport om precies uit te komen op het moment dat de klok inderdaad een minuut zou verspringen. Achter in de keuken had ik het lampje van de afzuigkap aan gelaten. Al met al genoeg licht om vanaf de bank te kunnen zien waar Boomer zich bevond als hij ging spoken. Soms zag ik de weerschijn in zijn wereldvreemde oogjes als hij met zijn stramme lijfje ging verliggen. Ogen die een combinatie van paniek en berusting uitstraalden.

Een paar keer per nacht werd het gepiep me te veel. Dan trok ik mijn schoenen aan en leidde ik Boomer zachtjes naar het halletje. Daar schoot ik in mijn winterjas, lijnde ik onze oude hond aan en verruilden we samen de binnennacht voor de buitennacht. Om tien voor drie, kwart over vier, of tegen half zes. Sjokken door een doodstille woonwijk want de hoogbejaarde Boomer – ruim zeventien en een half – kon zo snel niet meer. Langs plantsoentjes waartegen hij zijn oude pootjes niet meer kon oplichten: plassen deed hij gewoon staand op vier trillende poten onder het motto ‘laat maar gaan’. Af en toe schoot een kat verstoord weg. Een enkele keer hoorde ik Ramses Shaffy in mijn hoofd zingen: De auto’s en de fietsen zijn levenloze dingen, want de mensen zijn gaan slapen, hmm, hmm. Hier en daar oplichtende voordeuren: bewegingsmelders van buitenlampen deden hun werk. Soms kon je vanachter een badkamerraampje een toilet horen dat een nachtelijke plas wegspoelde. Voor de rest: onbeweegbare stilte, troostend en verdovend. Na thuiskomst was Boomer weer even rustig, en kon ik een kwartiertje slaap pakken. Waarna de gang der dingen zich herhaalde.

Na die week had Boomer nog drie dagen te gaan. Mijn lief was gelukkig op tijd thuisgekomen om samen het besluit te kunnen nemen dat genomen moest worden. Gek hoe die huiskamer in de nacht elke keer weer die herinnering bij je losmaakt. Ik heb het gevoel dat ik nooit dichter bij Boomer was dan in die nachtelijke uren.