Modder op de bek

Mijn eerste fiets was een blauw-wit afdankertje waarop mijn zus en broer ook gereden hadden. Ze hadden hem overleefd. Het was namelijk een doortrapper: remmen waren een ongekende luxe. Je moest dus niet te veel vaart maken want stoppen was een kwestie van je voeten aan de grond zetten. Ach, het kón allemaal want in het straatje waar ik groot werd, was nog slechts een enkele Gochomobiel, Simca of Renault Dauphine te vinden. Of een kever met zo’n uitklappend stokje aan de zijkant als richtingaanwijzer.

Ja, als kind wist ik nog iets van auto’s. Ik herinner me dat ik met de kinderen uit mijn buurt kentekens van auto’s in een schriftje noteerde. Ik geloof dat het de sport was om het meest recente nummerbord genoteerd te hebben, waarmee je aangetoond zou hebben dat jij het nieuwste van het nieuwste op autogebied gezien had. Mijn droommodel was overigens de Ford Cortina waarin meneer Ooms, op het tweede huis van de hoek, reed. Dát moest hem later worden. Helaas, het gebeurde niet. Zoals zich geen enkele auto, van welk merk dan ook, zou aandienen. Ik ben altijd fietser gebleven. Dóórsnee fietser. Puur functioneel omdat ik van A naar B moest en weer terug. Nooit supermodellen met tien versnellingen of racefietsen met carbonstuurtjes. En ook geen mountainbikes, ATB’s of hoe het spul allemaal mag heten. Marketingjongens noemen mijn huidige fiets een ‘city bike’ maar in wezen gaat het nog steeds om het type ‘rijwiel’ van Drees of Donner.

Het vreemde is dat juist automobilisten massaal van die flitsende dingetjes zijn gaan aanschaffen, misschien om de dagelijkse files af te reageren. Het begon ooit met bosjes vriendengroepen die in TI-Raleigh-shirtjes (later DAF Trucks, PDM of Rabobank) de wegen onveilig maakten op een wielrenfiets, zoals we die toen nog noemden. Ze ontdekten de Cauberg, Alpe D’Huez maar ook – en dat vond ik minder – het bos. Aanvankelijk was het daar vooral op zondag uitkijken. Dan gingen bosjes boekhouders en account managers zich uitleven. Ze doken ineens op vanuit de achtergrond met opgewonden stemmen. Ze riepen je toe dat je opzij en aan de kant moest. De Pieter-Jans en de Rodericks stoven je voorbij, lekker gek met het modder op de bek. Tegenwoordig moet je op alle dagen van de week, en op elk bospad, op je hoede zijn: de meneertjes duiken werkelijk overal op. Inmiddels zijn ze zich bewust van hun slechte naam, snappen ze dat ze iets aan beeldcorrectie moeten doen en roepen de meesten netjes ‘bedankt’ als ik hond Joop aan de kant van het pad laat staan. Dat ze de paden ruïneren en met hun profielbandjes de bochten uitdiepen zodat die bij een beetje regen veranderen in modderpoelen… ach, een kniesoor die daar op let.

Intussen is er een nieuw tijdperk aangebroken: dat van de e-bike. Nu is het helemaal oppassen geblazen. Het fietsgemak nodigt steeds meer mensen uit de auto te laten staan. Inmiddels ontstaan de files dus op de fietspaden. En als ze er niet zijn, wordt je aan alle kanten voorbijgesneld door oude vrouwtjes en broze opaatjes. ‘Djiezus, wat is dit?’ is nog altijd de eerste gedachte die bij me opkomt. Nu ken ik het fenomeen, maar wennen doet het niet. ‘Wátjes! Zo kan ik het ook’, roep ik dan. Van binnen. Niet echt natuurlijk. Want diep in mijn hart…