Nacht

Elke keer als ik voor het slapen gaan de lichten doof in de huiskamer, moet ik aan Boomer denken. Mijn lief en ik raakten nogal van ons stuk door het verlies van onze eerste hond, nu vierenhalf jaar geleden. Inmiddels heeft hij een meer dan waardige opvolger gekregen in Joop. Om eerlijk te zijn: die is nog een stuk aanhankelijker en speelser. Maar dat we Joop nog steeds wel eens per ongeluk Boomer noemen, zegt ook wel iets.

Dat Boomer door mijn hoofd schiet als de nacht aanbreekt, heeft alles te maken met de laatste week die ik met hem doorbracht. Mijn lief was met vakantie met een vriendin toen de rusteloosheid in zijn trouwe, maar dementerende hondenkop verergerde. Elke nacht meldde Boomer zich vele malen met een licht, maar onmiskenbaar gepiep dat steeds vaker op gehuil begon te lijken. Daarom sliep ik tijdens die laatste periode in mijn kleren op de bank in de huiskamer. Boomer in de buurt. Nou ja, sliep… Het waren hazenslaapjes, afgewisseld met slaapdronken gewankel naar de grijze geitenbreier terwijl de paniek door mijn hoofd joeg. ‘Jongen, je gáát toch niet? Niet nu je vrouwtje ergens in Afrika is? Moet je plassen? Heb je pijn? Wat ís er nou toch?’ Het beeld van die nachtelijke huiskamer is onlosmakelijk verbonden met de machteloosheid die toen bezit van me nam. Want waaróm Boomer zich liet horen… je kon er slechts naar gissen.

De kamer was bepaald niet aardedonker, de gordijnen aan de voorkant van het huis lieten het licht van de lantaarn bij de voordeur met gemak door. De silhouetten van stoelen, een vaas op tafel, van schemerlampen en kasten waren duidelijk zichtbaar. De groene digitale cijfers op het display van de videorecorder, precies in mijn gezichtsveld als ik op mijn linkerzij lag, lieten zien hoe de tijd verstreek. Als Boomer stil was, maar ik de slaap desondanks niet kon vatten, telde ik in gedachten tot zestig. Het was de sport om precies uit te komen op het moment dat de klok inderdaad een minuut zou verspringen. Achter in de keuken had ik het lampje van de afzuigkap aan gelaten. Al met al genoeg licht om vanaf de bank te kunnen zien waar Boomer zich bevond als hij ging spoken. Soms zag ik de weerschijn in zijn wereldvreemde oogjes als hij met zijn stramme lijfje ging verliggen. Ogen die een combinatie van paniek en berusting uitstraalden.

Een paar keer per nacht werd het gepiep me te veel. Dan trok ik mijn schoenen aan en leidde ik Boomer zachtjes naar het halletje. Daar schoot ik in mijn winterjas, lijnde ik onze oude hond aan en verruilden we samen de binnennacht voor de buitennacht. Om tien voor drie, kwart over vier, of tegen half zes. Sjokken door een doodstille woonwijk want de hoogbejaarde Boomer – ruim zeventien en een half – kon zo snel niet meer. Langs plantsoentjes waartegen hij zijn oude pootjes niet meer kon oplichten: plassen deed hij gewoon staand op vier trillende poten onder het motto ‘laat maar gaan’. Af en toe schoot een kat verstoord weg. Een enkele keer hoorde ik Ramses Shaffy in mijn hoofd zingen: De auto’s en de fietsen zijn levenloze dingen, want de mensen zijn gaan slapen, hmm, hmm. Hier en daar oplichtende voordeuren: bewegingsmelders van buitenlampen deden hun werk. Soms kon je vanachter een badkamerraampje een toilet horen dat een nachtelijke plas wegspoelde. Voor de rest: onbeweegbare stilte, troostend en verdovend. Na thuiskomst was Boomer weer even rustig, en kon ik een kwartiertje slaap pakken. Waarna de gang der dingen zich herhaalde.

Na die week had Boomer nog drie dagen te gaan. Mijn lief was gelukkig op tijd thuisgekomen om samen het besluit te kunnen nemen dat genomen moest worden. Gek hoe die huiskamer in de nacht elke keer weer die herinnering bij je losmaakt. Ik heb het gevoel dat ik nooit dichter bij Boomer was dan in die nachtelijke uren.