Vier tellen

Komende zaterdag, 21 april, is het Record Store Day. Platenzaken, artiesten en muziekliefhebbers proberen dan wereldwijd de moed erin te houden en uit te stralen dat de platenzaak nooit verloren zal gaan. Ik help het ze hopen. We hebben het over die kleine, muffe gribusachtige platenzaakjes waar zo’n prachtige romantiek omheen hangt. Vooral oudere mannen die in een midlife crisis verkeren, willen nogal eens met vochtige ogen terugblikken op de platenzaak die hun leven veranderde.

In mijn geval was dat Bullit in Eindhoven waarmee andere plaatselijke winkels als Elpee, King, Rambam of Van Leest (middle of the road voor watjes) een ongelijke strijd voerden. De zaak is me niet eens zo zeer bijgebleven vanwege de mensen die er achter de toonbank stonden. In veel verhalen figureren ze als wereldvreemde muzieknerds die jou precies wisten te vertellen wat jij mooi zou vinden. Bij mij niets van dat alles, sorry! Ik weet nog dat ene Carlos bij Bullit de scepter zwaaide (hij werkte ook bij De Effenaar en werd later de booking agent van Sonic Youth, zo lees ik ergens op internet) maar voor de rest zijn de mensen van de winkel verzonken in mijn herinnering. We praten ruwweg over de periode 1977-1984. En daarin was Bullit vooral de plek die uitzicht bood op ontsnapping uit de verstikking van mijn ouderlijk huis. Die voelde ik niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk. Later bleek waarom: ik was zwaar allergisch voor de wollen vloerbedekking. Hij heeft me jaren naar adem doen happen, zonder dat ik wist wat er aan de hand was. Het versterkte mijn drang om eruit te breken.

Terwijl de huiskamer en de avonden (De Avonden!) gevuld werden met het schijnsel van de treurbuis – mijn moeder zou en moest de Wie Kent Kwis van Fred Oster zien – zat ik met een Pioneer-koptelefoon op mijn hoofd mijn frustraties weg te beluisteren. Met muziek die alleen maar van Bullit kon komen. Het was vooral de winkel van het debuut: steevast blaasde er een nieuw band uit de boxen: Boy van U2, The Ramones, Marquee Moon van Television of The Undertones. Pure opwinding! Twee, drie keer per week bonsde het hart in mijn keel en liep ik er vol verwachting binnen. London Calling zou nu toch binnen moeten zijn? En was Setting Sons niet aangekondigd voor nu? Dat stond immers al tijden op het bord gekrijt? En nu ik er toch was: zou die eerste van Warren Zevon in de bakken staan? Of dat obscure Richard Thompson-album? Verrek, jáááá!!! Even de plaat uit de hoes halen en tegen het licht houden… Geen krassen? Nee? Dan even beluisteren in dat shabby hoekje met zijn beduimelde koptelefoons waarin het oorsmeer van heel shag- en wietrokend Eindhoven, altijd gekleed in spijkerjasjes, zich moest hebben verzameld.

Het gevoel van urgentie – dat wat ik nu zo vaak mis bij het beluisteren van nieuwe muziek, niet gek want wat zou er urgent moeten zijn voor een grijze vijftiger – was er vrijwel bij voortduring. De lucht was zwanger van dingen die stonden te gebeuren. Hoe? Wat? Waar? Wist ik veel! Maar ze gingen gebeuren. Hoe kon je anders constateren na het beluisteren van More Songs etcetera van Talking Heads? Thank You For Sending Me An Angel Precies, daar kwam het wel op neer!

Urgentie… Het kwam bij mij tot een hoogtepunt met Real Life van Magazine. Toen die plaat door Bullit schalde was de sensatie compleet. Het intro van het openingsnummer Definitive Gaze, waarin de wereld zich na 29 seconden opent… So this is real life, you’re telling me!

Er gingen zaterdagen voorbij waarop ik met een lp of zes, zeven in zo’n vierkante tas – waar de wind altijd onder sloeg – naar huis fietste. En dan… die vier tellen die de naald van de Thorens-draaitafel nodig had om rustig dalend het vinyl te bereiken… De verwachting van dat moment… onbetaalbaar.

De internetbarbarij heeft het allemaal de nek omgedraaid. Diezelfde internetbarbarij waarvan ik driftig gebruik maak… We leven in een schizofreen tijdperk.

 

Blauwe tas

Op zolder, achter een schuifwandje onder het schuine dak, moet ergens een blauwe reistas staan. Vroeger ging hij vaak mee tijdens weekendjes weg. De laatste keer dat ik hem gebruikte was acht jaar geleden. Mijn moeder gaf er zomaar ineens de brui aan en overleed in haar slaap. En dus brak dat meer dan pijnlijke proces aan: het uitruimen van het huis, het wegbrengen van meubels die niemand meer wil hebben, de ritjes naar de stort: eindbestemming van dat wat was en niet meer zal zijn.

Toen we de deur van haar huisje voor het laatst dichttrokken, zaten in die blauwe tas de laatste memorabilia die niet verloren mochten gaan. Wat precies, weet ik al niet meer: ik heb de tas jarenlang niet meer ingekeken. Maar de laatste tijd neem ik me voor om hem weer op te duikelen. Aanleiding: de berichtgeving over het dorp Rawagede op Java waar Nederlandse militairen in december 1947 bijna de hele mannelijke bevolking vermoordden: 431 mannen kwamen om het leven. De Nederlandse overheid heeft eindelijk, zo schoorvoetend als maar mogelijk is, voor een schadevergoeding gezorgd voor het handjevol nabestaanden. En dan is Adriaan van Dis ook nog begonnen met een televisieserie over Nederlands-Indië en de plaats die zijn familie daar innam.

Mijn vader was namelijk een van die Nederlanders die zich – nota bene vrijwillig – aanmeldden bij het korps Mariniers om, samen met een broer, de eer van volk en vaderland aan de andere kant van de wereld hoog te houden. Wat hen bezielde? Geen idee. Een doorgeschoten trouw aan het gezag, misschien. Ik herken het bij mezelf. Als voor mij iemand op de fiets door rood rijdt, kan ik met moeite de neiging onderdrukken om een flinke demarrage in te zetten om die persoon als een soort Cor van de Laak te vragen waarom men meende zich hier niet aan de spelregels te moeten houden. We hadden toch met zijn allen afgesproken dat rood wáchten betekende? Jaaa??? Nou dan!!! Inderdaad, het is maar goed dat ik niet in Amsterdam woon…

Tot zijn dood heeft mijn vader nooit over zijn ‘Indische’ episode gesproken. Mijn vijf jaar oudere zus bevestigt dat. “Eén keer heb ik hem gevraagd waarom hij er niet over sprak. Zijn antwoord: Ach meiske, ik heb collega’s op landmijnen zien stappen en ze in stukjes door de lucht zien vliegen. Dat is het enige dat ik erover wil zeggen.” Wat we verder nog weten is dat hij zijn mariniersopleiding in Engeland volgde, waarna hij nog even in New York terechtkwam. Er bestaat een fotootje waarop mijn vader met een paar collega’s op het Empire State Building lachend de camera inkijkt. Franske uit Strijp, strak in het pak op het toenmalige hoogste gebouw van de vrije wereld. Hoe symbolisch wil je het hebben?

Er is ook een opname met vrolijke taferelen uit het legerkamp. Je ziet hem tussen een aantal maten met een petje op, de naam van mijn moeder – Annie – in witte letters op de klep geschreven. Hij kende haar toen dus al, maar koos er desondanks voor om haar achter te laten en een idiote oorlog uit te vechten in de tropen, met alle risico’s van dien. Volgens mijn zus was het iets minder vreemd dan het lijkt omdat het ‘uit’ geweest schijnt te zijn toen hij vertrok. Maar door brieven (en heimwee?) was de liefde op afstand weer opgebloeid.

Wat hij op Java deed, wanneer precies en waaróm, wat hij daar heeft meegemaakt: onlangs besefte ik pas goed dat ik daar helemaal niets van afweet. Alle verhalen nam hij mee het graf in toen hij op 60-jarige leeftijd door de kanker geveld werd.

Zou de inhoud van die tas alsnog opheldering kunnen geven? Zouden er antwoorden verscholen kunnen liggen tussen de regels door in beduimelde documenten, of in uit elkaar vallende fotoboeken? Ik weet bijna zeker van niet. Toch kriebelt het. Al was het maar om uit te kunnen sluiten dat mijn vader in Nederlands-Indië gekke dingen gedaan kan hebben. En dat daarin de reden van zijn zwijgen zou kunnen liggen. Of had hij ‘gewoon’ last van een posttraumatische stressstoornis, zoals we dat nu noemen? Die blauwe tas… ik ga hem opzoeken. Wordt vervolgd.

 

Nina

Er zijn veel redenen om naar La Gomera te gaan. Een ervan is Nina. Althans, ik denk dat ze zo heet. Ik durf het haar niet te vragen want in haar bijzijn verander ik onherroepelijk in een stuntelende stoethaspel. Nina is het stralende middelpunt van de horeca in Vueltas, het havenplaatsje van Valle Gran Rey. Ze is serveerster in Bar Pescador die – in weerwil van de vissige naam – vooral beroemd is om de pollo asado. Aan het begin van de avond draaien er tientallen kippetjes aan het spit in de grill, die vervolgens in no time op de borden van de gasten belanden. Want het is het lekkerste én goedkoopste hoofdgerecht (7 euro) dat het restaurantje te bieden heeft.

Elke avond staan drommen mensen te wachten op een vrijkomend tafeltje op het terras van het eethuisje in de Calle Abisinia, het onopvallende straatje waarin het gelegen is. Maar hoe lekker dat kippetje ook is, ik mag graag denken dat Nina de echte reden voor hun komst is. Ze verstaat de kunst om je met één blik voor de rest van de avond in te palmen. Waarna je het wijnglas nog slechts trillend naar je mond kunt brengen. Ravenzwart haar, gebundeld in een koket paardenstaartje, omlijst haar zachtronde gezicht waarin haar ogen een sensueel spel met haar glimlach spelen. Of nee, het ís geen spel. Nina is volkomen naturel. Ik herinner me een jaar waarin ze me teleurstelde: overdadig aangebrachte make-up veranderde haar in een vamp. De puurheid van haar verschijning was verdampt, mijn droombeeld verstoord. Aan dromen hoort niet gesleuteld te worden, dat verbreekt de betovering. Gelukkig was het een eenmalige faux pas.

Dit jaar werd ik behoorlijk zenuwachtig want een bezoek aan Bar Pescador leek er niet in te zitten. Al geplande afspraken met onze vrienden, en een gesloten deur op en rond Driekoningen (een feestdag die op La Gomera grootser gevierd wordt dan Kerstmis) dreigden roet in het eten te gooien. Maar op onze allerlaatste avond op La Gomera kwam het er dan toch nog van.

Mijn lief vindt het wel iets vertederends hebben dat haar vijftigplusser als een schutterende puber in katzwijm ligt voor Nina. Regelmatig schopt ze onder de tafel zachtjes tegen mijn voet om me te waarschuwen dat ze in aantocht is, weldra ons tafeltje zal passeren en aandacht dus geboden is. Alsof ik dat zelf al niet gezien had. ‘Ja, nú’, fluistert ze, om mij erop te wijzen dat ik de kans heb haar aan te spreken, bijvoorbeeld om de rekening te vragen. Maar voor ik voldoende moed verzameld heb, is ze alweer voorbij gelopen. Eind van het liedje is dat het verzoek om de cuenta toch weer naar haar mannelijke collega gaat. En dan. Dan valt er een warm licht over onze tafel en verblindt Nina me met die onwaarschijnlijke glimlach. De rekening! Met maakt niet uit welk bedrag: dertig, honderd, duizend euro… ik zou het allemaal betaald hebben. Mijn stotterend uitgebrachte ‘muchas gracias’ wordt beloond met een helder, rustig en minzaam uitgesproken ‘de nada’. Ik kan er weer een vol jaar tegen.

 

Albumlijst 2011

2011 was het jaar van de bandjes. Ze kwamen met aanstekelijke liedjes, eenvoudig en gelaagd tegelijk, die je direct kunt meezingen. Met heerlijke arrangementen en koortjes. Maar ook de solisten lieten zich niet onbetuigd en er was zelfs nog een posthume Amy Winehouse die op de valreep brutaalweg mijn Top 10 kwam binnenfietsen. Het enige criterium dat ik toepas bij het samenstellen van zo’n lijst: wat vond ik het fijnst om naar te luisteren, waar greep ik dus het vaakst naar?

1 Suck It And See – Arctic Monkeys

De band van voorman Alex Turner is met dit album definitief volwassen geworden. De soms wat vermoeiende springerigheid uit de beginjaren heeft plaats gemaakt voor bedachtzamere prachtige popsongs waarin passie en bevlogenheid desondanks overeind blijven. (prijsnummer: Suck It And See).

2 What Did You Expect From The Vaccines? – The Vaccines

Debuutalbum van onbevangen Londense indierockband die grossiert in aanstekelijke Britpop. Vanaf het eerste nummer direct mee te zingen. Dikke pret en recht door zee. (Prijsnummer: Norgaard)

3 The Rip Tide – Beirut

Melancholie en weemoed zijn de belangrijkste ingrediënten van dit opvallende Amerikaanse gezelschap waarin koperen toeters en de wat nasale stem van Zach Condon het geluid bepalen. Folkachtige muziek met invloeden uit Oost-Europa. (Prijsnummer: The Rip Tide).

4 Father, Son, Holy Ghost – Girls

Eclectisch album van een duo uit San Francisco dat schaamteloos jat uit het rijke pop- en rockarchief. Maar breng het maar eens samen. We horen Deep Purple voorbijkomen, Pink Floyd, maar ook Elliot Smith. Een weelderige instrumentatie doet de rest. Móóói! (Prijsnummer: Vomit, dat outtro, volume op 10! )

5 Let England Shake – PJ Harvey

Polly Jean Harvey was tot nu toe, zo moet ik bekennen, een blinde vlek voor me. Met dit album greep ze me bij de kladden. Meedogenloos houdt ze de Britse natie tegen het licht. Prachtige soundscapes begeleiden het demasqué van de mythe ‘Brittannia rules the waves’. (Prijsnummer: The Glorious Land)

6 Ashes & Fire – Ryan Adams

Eigenzinnige liedjessmid, die in vroeger tijden met het ene na het andere album kwam, stond al even droog. Hij maakte dit jaar een mooie rentree met ambachtelijke, pakkende songs. (Prijsnummer: Come Home)

7 Philharmonics – Agnes Obel

Deense zangeres en pianiste, maar wonend in Berlijn, maakt indruk met stemmig, verstild album. Haar muziek bleek geknipt te zijn voor de moeilijke akoestiek van de Nijmeegse St. Stevenskerk waar ze, samen met haar celliste Anne Ostsee, in de zomer een memorabel optreden verzorgde. (Prijsnummer: Riverside)

8 Hysterical – Clap Your Hands Say Yeah

Prettig gestoorde band (zanger Alec Ounsworth klinkt soms als een reïncarnatie van Tiny Tim ‘on ritalin’) weet de spanningsboog net niet helemaal vast te houden tot het einde, maar de eerste helft van het album biedt meer dan genoeg compensatie. Ook hier een hoog meezinggehalte. (Prijsnummer: Same Mistake)

9 The Whole Love – Wilco

Wilco wist me voor het eerst sinds Summer Teeth (1999) weer écht te pakken met intelligente, warme americanarock. Zelden opende een plaat gedurfder (met een lang, ‘moeilijk ’ nummer, Art of Almost) maar wie volhoudt wordt beloond. Het concert van Wilco in Tilburg (14 november) naderde overigens het punt van perfectie. (Prijsnummer: Dawned On Me)

10 Lioness: Hidden Treasures – Amy Winehouse

Puristen zullen vinden dat het album hier niet thuis hoort (als samenraapsel van demo- en restopnamen die in de studio werden voorzien van beats en instrumentatie, daar was Amy dus niet meer bij…). Kan me niet schelen. Die stem… kippenvel. Het blad Uncut slaat de spijker op de kop: ‘It sounds like a great new record by someone who is spectacularly alive. But it isn’t. And that’s what breaks your heart’. (Prijsnummer: Between The Cheats)

Alle prijsnummers staan ook in dit Spotify-lijstje.

Net niet in mijn lijstje, maar ook heel mooi (en stomtoevallig allen Nederlandstalig):

* tot ziens, Justine Keller – Spinvis * Omdat ik dat wil – Roosbeef * Scherp de zeis – De Dijk

Buiten mededinging (vorig jaar al verschenen maar pas dit jaar ontdekt, typisch zo’n plaat die je eigenlijk heel graag in je lijstje had willen opnemen):

* Wildwood – Chatham County Line

Concert Top 10:

1 Wilco (013, Tilburg, 14 november) 2 Arcade Fire (Heineken Music Hall, Amsterdam, 29 augustus) 3 Morrissey (Muziekgebouw Frits Philips, Eindhoven, 5 augustus) 4 Agnes Obel (St. Stevenskerk, Nijmegen, 17 juli) 5 Chatham County Line (Paradiso, Amsterdam, 1 november) 6 Ben Folds (Paradiso, Amsterdam, 7 maart) 7 Josh Ritter (Doornroosje, Nijmegen, 8 april) 8 Eels (Muziekgebouw Frits Philips, Eindhoven, 21 juni) 9 Richard Thompson (Paradiso, Amsterdam, 8 februari) 10 Deep Purple (GelreDome, Arnhem, 2 december)

 

Oesters

Je zit met je vriendin te genieten in een chique restaurant. De oesters en de wijn zijn een rib uit je lijf, maar goed, dan héb je ook wat. Denk je. En dan zie je dat een oud-collega, die jou ooit in een poel van ellende stortte, een paar tafels verderop hetzelfde gerecht zit te eten. Vraag: zijn je oesters nu ineens een stuk minder lekker?

‘Ja’, zo zou een vriend van me hierop antwoorden. Althans, als ik afga op de hevige discussie die ooit tussen ons ontbrandde. Het moet in 2003 geweest zijn. Bruce was in Nederland. We hadden genoten van een dampend concert in de Rotterdamse Kuip. Tenminste, ik wel. En hij stond toch ook met een gelukzalige blik in de ogen te luisteren, zo zag ik met eigen ogen. Maar na afloop volgde een verbazingwekkende klachtenregen. Goed, de muziek was natuurlijk fantastisch geweest. Hij kon het nog altijd, The Boss. En die Weinberg, wat een geweldenaar… Elk lid van The E Street Band passeerde zo even de revue. Niets dan lof. Tótdat het publiek ter sprake kwam.

Of ik wel gezien had wat voor mensen er in de Kuip geweest waren? In de verste verte geen Ghanees, Turk of Tibetaan te bekennen. En dat in zijn eigen multiculturele Rotterdam! Slechts witte heren van middelbare leeftijd had hij gezien. Brave Deloitte-mannetjes die colbert en stropdas nog net op tijd in een kluis op het centraal station hadden kunnen proppen. En dat stond hier nu allemaal doodleuk met Bruce mee te blèren op Racing In The Street. Het toppunt was wel geweest dat een kalende, pijprokende man – serieus, een píjprokende man – hem vriendelijk verzocht om  – moet je je voorstellen – ergens anders te gaan staan omdat hij het zicht voor zijn vrouw belemmerde. Fuck toch een end off, zeg!!! Nee, al met al was het een behoorlijk teleurstellende avond geweest… Kwam ook door Bruce zelf. ‘Want als hij dit soort mensen aantrekt, is er kennelijk iets mis met zijn uitstraling, misschien zelfs wel met zijn muziek’, zo luidde de redenering. En verdomd, nu hij er nog eens goed over nadacht: The Rising (toen net verschenen) was toch niet dat topalbum waarvoor hij het aanvankelijk hield. Beetje zeikerige plaat eigenlijk…

Wat was hier aan de hand? Het bekende verhaal van de rebel die zich plotsklaps weerspiegeld zag in de mensen om hem heen? Die zich realiseerde dat hij nu zelf bij de gevestigde orde hoorde, maar daar eigenlijk niet aan wilde? Omdat zijn rock ‘n roll-heart voor eeuwig zou blijven kloppen, was het niet in een jong lichaam, dan toch zeker in een jeugdige inborst? Zelf was ik die avond zo into Springsteen dat ik me geen moment met het publiek had bezig gehouden. Zijn klachtenregen nam ik niet serieus. De drank was in mijn ogen de hoofdschuldige.

Ruim een maand later stonden we in Ahoy. We keken en luisterden naar de Counting Crows want Hard Candy vond ik een heerlijke plaat. Er was aanstekelijk voorwerk van Bettie Serveert en van – God hebbe zijn ziel – Solomon Burke. Maar bij de Crows wilde de vonk maar niet overslaan. Althans, niet bij ons; de rest van het publiek was wildenthousiast. Ze wiegden met de vlammetjes van hun aanstekers heen en weer tijdens het akoestische deel van de set. ‘Gatsie’, dacht ik. ‘Hebben de Crows zó’n publiek?!’ Hard Candy staat sindsdien onaangeroerd in de kast.

 

Nacht

Elke keer als ik voor het slapen gaan de lichten doof in de huiskamer, moet ik aan Boomer denken. Mijn lief en ik raakten nogal van ons stuk door het verlies van onze eerste hond, nu vierenhalf jaar geleden. Inmiddels heeft hij een meer dan waardige opvolger gekregen in Joop. Om eerlijk te zijn: die is nog een stuk aanhankelijker en speelser. Maar dat we Joop nog steeds wel eens per ongeluk Boomer noemen, zegt ook wel iets.

Dat Boomer door mijn hoofd schiet als de nacht aanbreekt, heeft alles te maken met de laatste week die ik met hem doorbracht. Mijn lief was met vakantie met een vriendin toen de rusteloosheid in zijn trouwe, maar dementerende hondenkop verergerde. Elke nacht meldde Boomer zich vele malen met een licht, maar onmiskenbaar gepiep dat steeds vaker op gehuil begon te lijken. Daarom sliep ik tijdens die laatste periode in mijn kleren op de bank in de huiskamer. Boomer in de buurt. Nou ja, sliep… Het waren hazenslaapjes, afgewisseld met slaapdronken gewankel naar de grijze geitenbreier terwijl de paniek door mijn hoofd joeg. ‘Jongen, je gáát toch niet? Niet nu je vrouwtje ergens in Afrika is? Moet je plassen? Heb je pijn? Wat ís er nou toch?’ Het beeld van die nachtelijke huiskamer is onlosmakelijk verbonden met de machteloosheid die toen bezit van me nam. Want waaróm Boomer zich liet horen… je kon er slechts naar gissen.

De kamer was bepaald niet aardedonker, de gordijnen aan de voorkant van het huis lieten het licht van de lantaarn bij de voordeur met gemak door. De silhouetten van stoelen, een vaas op tafel, van schemerlampen en kasten waren duidelijk zichtbaar. De groene digitale cijfers op het display van de videorecorder, precies in mijn gezichtsveld als ik op mijn linkerzij lag, lieten zien hoe de tijd verstreek. Als Boomer stil was, maar ik de slaap desondanks niet kon vatten, telde ik in gedachten tot zestig. Het was de sport om precies uit te komen op het moment dat de klok inderdaad een minuut zou verspringen. Achter in de keuken had ik het lampje van de afzuigkap aan gelaten. Al met al genoeg licht om vanaf de bank te kunnen zien waar Boomer zich bevond als hij ging spoken. Soms zag ik de weerschijn in zijn wereldvreemde oogjes als hij met zijn stramme lijfje ging verliggen. Ogen die een combinatie van paniek en berusting uitstraalden.

Een paar keer per nacht werd het gepiep me te veel. Dan trok ik mijn schoenen aan en leidde ik Boomer zachtjes naar het halletje. Daar schoot ik in mijn winterjas, lijnde ik onze oude hond aan en verruilden we samen de binnennacht voor de buitennacht. Om tien voor drie, kwart over vier, of tegen half zes. Sjokken door een doodstille woonwijk want de hoogbejaarde Boomer – ruim zeventien en een half – kon zo snel niet meer. Langs plantsoentjes waartegen hij zijn oude pootjes niet meer kon oplichten: plassen deed hij gewoon staand op vier trillende poten onder het motto ‘laat maar gaan’. Af en toe schoot een kat verstoord weg. Een enkele keer hoorde ik Ramses Shaffy in mijn hoofd zingen: De auto’s en de fietsen zijn levenloze dingen, want de mensen zijn gaan slapen, hmm, hmm. Hier en daar oplichtende voordeuren: bewegingsmelders van buitenlampen deden hun werk. Soms kon je vanachter een badkamerraampje een toilet horen dat een nachtelijke plas wegspoelde. Voor de rest: onbeweegbare stilte, troostend en verdovend. Na thuiskomst was Boomer weer even rustig, en kon ik een kwartiertje slaap pakken. Waarna de gang der dingen zich herhaalde.

Na die week had Boomer nog drie dagen te gaan. Mijn lief was gelukkig op tijd thuisgekomen om samen het besluit te kunnen nemen dat genomen moest worden. Gek hoe die huiskamer in de nacht elke keer weer die herinnering bij je losmaakt. Ik heb het gevoel dat ik nooit dichter bij Boomer was dan in die nachtelijke uren.

 

Frisse lucht

Onze vakantie bracht ons dit jaar naar oorden als Gaillimh, Inis Mór, Uachter Ard, An Teach Dóite, Cathair na Mart en natuurlijk Baile Atha Cliath. Die komen je niet bekend voor? Geen nood, de meeste Ieren kennen de namen ook niet. Zij gebruiken het Engels en spreken van Galway, Inishmore, Oughterard, Maam Cross, Westport en Dublin. Maar goed, het Gaelic (of Iers) is toevallig wel de officiële landstaal. Dat 90 procent van bevolking die niet beheerst, ach, het zij zo. Alleen in enkele afgelegen delen in het westen en op de Aran Islands wordt het Gaelic nog dagelijks gesproken. Gaeltachts, zo worden deze taalenclaves genoemd.

Dat Ierland het stokoude Gaelic als eerste taal hanteert, doet er in de praktijk op het eerste gezicht niet zo heel veel toe. Want iedereen spreekt natuurlijk (ook) Engels. Voor de bezoeker is de meest opvallende consequentie nog dat de borden in de openbare ruimte tweetalig zijn. Natuurlijk draait het bij dat Gaelic allemaal om het benadrukken van de eigen identiteit, de sense of Irishness. Reden waarom het een verplicht schoolvak is. Maar kennelijk doen ze iets niet goed. Als je tien Ieren vraagt of ze Gaelic kunnen praten, schudden er dus negen met het hoofd. Een van de weinige woorden die wel algemeen tot het dagelijks taalgebruik zijn doorgedrongen is de ‘taiseoch’ (spreek uit: tiesjok), waarmee de minister-president consequent wordt aangeduid in het Ierse staatsbestel.

Ieren hebben een groot historisch bewustzijn. Dat zien we vooral in Noord-Ierland (inderdaad, dat is de UK maar toevallig wel hetzelfde eiland) waar de tegenstellingen tussen de rooms-katholieken en protestanten nog altijd huiveringwekkend groot zijn. Want ja, die Battle Of The Boyne, hè? Toen ik ooit een toer maakte vanuit Belfast naar Derry informeerde de toergids naar mijn landsaard. Ah, was ik Nederlander? Of ik dan wel wist wat mijn volk op zijn geweten had? Want was het niet onze protestantse Willem III die in 1690 gemeend had de katholieke James II te moeten verslaan bij die vermaledijde Boyne? Nu nóg zaten ze met de gebakken peren.

Het verleden heeft de Ieren gegijzeld. Goed, als de miljardensteun vanuit Europa aangereikt wordt, neemt men die beleefd en enigszins besmuikt in ontvangst. Maar voor de rest keert het land zich – ook nu de economische rampspoed groot is – naar binnen. De aardappelziekte, de hongersnood en de emigratiegolf in de 19e eeuw… het blijven steeds weer terugkerende facetten in het beeld dat de Ieren van zichzelf schetsen. Althans, dat vindt Peter, een Duitse restaurateur van (antieke) meubelen waarmee we in de pub van Leenaun aan de praat raakten. Hij woont al een jaar of acht in het nabije Westport waar hij met zijn vrouw drie kinderen kreeg. “De Ieren steken veel energie in sentimenten uit het verleden. En zo houden ze in het lager onderwijs krampachtig vast aan een fossiele taal waartegen bijna elke tong en oorschelp protesteert.”

Daar had Peter een punt. Want identiteit? Me hoela. Waar gaat het nou om in het leven? Om het opwerpen van barrières? Het benadrukken van verschillen? Om ‘kijk ons eens anders zijn’? Of om wederzijds begrip en samenleven? Zaken die een stuk eenvoudiger worden als je dezelfde taal spreekt. Kijk, natuurlijk ben ik gek op Ierse traditionele muziek (hoewel die Wild Rover met zijn ge-no-nay-never me na de 3762e keer wel de neus uitkomt). En een goede pint Guinness… daar ben ik altijd voor in. Zodra die bedreigd worden, ben ik de eerste die een actiegroep opricht. Maar die verdwijnen echt niet als je de ogen ook eens opent voor de wereld om je heen.

Volgens Peter kijken de Ieren je aan met een gezicht alsof ze water zien branden, wanneer je het idee oppert om misschien eens wat vreemde talen te introduceren in het onderwijs. “Met Spaans, Duits of voor mijn part Chinees – binnenkort heeft China de grootste economie ter wereld – open je grenzen en schep je kansen voor internationaal zakendoen. Iets dat de Ierse economie als geen ander kan gebruiken. Maar nee, je kunt net zo goed aan de tiesjok vragen of hij met de paus een homo-erotisch ballet in Grafton Street wil opvoeren. Ieren blijven liever hangen in hun kneuterige folklore want ‘oh jongens, onze identiteit!’.”

Daarbij wordt vergeten dat elke zogenaamde nationale identiteit het product is van andere culturen. Op een enkele, nooit eerder ontdekte, Indianenstam in het Amazonegebied na, is elk volk wel gevormd door invloeden van buitenaf. Of het nou gaat om de keuken, de muziek, de mentaliteit of… de taal. Maar die notie stoppen we van tijd tot tijd heel diep weg. Zoals nu, in Ierland én in Nederland. De rolluiken moeten omhoog, de ramen open gegooid. Frisse lucht is in alle opzichten onze eerste levensbehoefte in de jaren die komen gaan.

 

Nijmegen als anachronisme

Nooit gedacht dat ik ooit nog eens met plezier een smartlap zou zingen, maar met één lied is dat toch echt waar. De eerste keer dat ik het met mijn koor Bianca Castafiore zong, in een zaal vol mensen, werden de ogen verdorie nog vochtig ook. Kwam door Jannie. Onze alt soleerde, naast háár Jan als tweede stem,  tijdens de coupletten naar grote hoogten en wist een snaar te raken waarvan ik niet wist dat ik hem had. Vooral bij de zin ‘Maar de avondzon schijnt nergens zo mooi’ kon je me wegdragen. Het refrein zongen we vervolgens zonder opsmuk unisono mee:

Ik ben niet van hier, ik ben hier niet geboren

Maar ik woon hier al jaren en hier staat mijn huis.

Wat zou ik nog ergens anders gaan halen?

Hier wonen mijn vrienden, ik voel me hier thuis.

Het zou het lijflied kunnen zijn voor de import-Nijmegenaar. Ik woon er dan wel niet maar heb toch veel met die stad. Elke week fietsen we vanuit ons suffe dorp wel een paar keer noordwaarts. Door het bos of over ‘de Anna’ vanwaar je de toren van de Sint Steven al van verre ziet wenken. Soms meen ik hem te zien hoofdschudden:  ‘Waarom woon je niet gewoon hier, bij mij?’

Nijmegen. Ik voelde me er inderdaad  – zoals het lied zegt – direct thuis toen ik er bijna vijfentwintig jaar geleden heen trok voor mijn lief en de studie, en op kamers ging wonen. De stad aan de majestueuze Waal met haar Valkhof, prachtige stadsvilla’s aan plechtstatige singels, grote cafédichtheid, Romeinse verleden, studentikoze eetcafés, schitterende omgeving (de Ooij!) en dat gigantische Vierdaagse-evenement… ik hield er een permanent vakantiegevoel aan over.

Maar wat was het ook een rare stad: on-Nederlandse hoogteverschillen in oost, onvindbare straatnaambordjes, foeilelijke warenhuizen tegenover een monumentaal Waaggebouw, onverstaanbare popzangers, paardenmest om het Waalwater tegen te houden én: een afschuwelijk soort plat. Want: je hebt de nagel over het schoolbord, je hebt de tandartsboor en je hebt het Nijmeegs. ‘Kijk daar’ wordt ‘Kiek duir’. Die ‘ui’… hij lijkt een beetje op de klank die je uitstoot als je merkt dat je een stuk bedorven appeltaart eet. En dan de zinsconstructies: ‘Doe jij dat even maken?’ Winkels zijn in deze stad ook niet open, maar ‘los’. Soms kan ik een aardig eindje weg imiteren, maar Nijmeegs praten… het lukt me gewoon niet. Of wil ik het niet kunnen?

Bizar is het Keizer Karelplein, berucht in het ganse land. Zes wegen leiden naar een strijdperk waar geldt: ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’. Het enorme verkeersplein – een rotonde, maar dat woord is hier veel te beschaafd voor – kent geen markeringen en dus geen rijbanen. Alsof het wil zeggen: ‘Zoek het zelf maar uit, sterkte!’ Het is een arena die je eerder in hectische wereldsteden als Mexico Stad, Istanbul of Jakarta verwacht. Maar nee, Nijmegen! Ook al valt het aantal ongelukken enorm mee (juist door het ontbreken van strepen op het wegdek is iedereen extra alert), er zijn genoeg automobilisten die het plein voor geen goud oprijden. In het midden bevindt zich een mooi parkje, het oog van de orkaan. Geen idee hoe je er als voetganger zou moeten komen. Je ziet er dan ook niemand, op de groenwerkers en een enkele dronken zwerver na die waarschijnlijk zonder het zelf te weten met heel veel geluk dit stukje stadsgroen wist te bereiken.

Als niet-automobilist heb ik het een stuk gemakkelijker. Al moet je als fietser evenzo goed op je hoede zijn, zeker sinds het omringende fietspad tweerichtingsverkeer is en honderden tegenliggers je tegemoetkomen tijdens één rondje Keizer Karel. Studentenstad hè?

Het zijn diezelfde studenten die er nog altijd voor zorgen, zo beweren politici ter rechterzijde knarsetandend, dat links het zelfs nú nog voor het zeggen heeft in deze stad. Havana aan de Waal mag dan verleden tijd zijn door de deelname van D66 aan de huidige stadscoalitie, Nijmegen blijft in politiek opzicht hét anachronisme van Nederland. Gezien de tijdgeest krijg ik steeds vaker de neiging om anachronismen te koesteren.

 

The Big Man

Vrijdag 2 april 1982 was geen schokkende dag in de wereldgeschiedenis. Tenminste, niet dat ik weet. Het was – getuige een krabbeltje van mijn hand op de binnenhoes – wel de dag waarop ik de lp ‘Born To Run’ van Bruce Springsteen toch maar aanschafte. Toch maar? Ja, het album was zeven jaar eerder al verschenen. Tot dan toe luisterde ik ernaar via een cassettebandje dat steeds meer ging ruisen.

Pas toen ik de plaat echt in handen had, werd me duidelijk dat Bruce ons met de foto op de hoes iets wilde zeggen. Links zag je hem met een grijns op het gelaat leunen op een indrukwekkende gestalte wiens gezicht buiten het beeld viel. Pas bij het openklappen van de dubbelhoes – de foto liep door – was te zien wie dat was: saxofonist Clarence Clemons die vanonder een statige hoed op zijn instrument blies. Het was duidelijk: Bruce mocht dan The Boss zijn maar daarachter was The Big Man, zoals Bruce hem zijn hele leven lang liefkozend zou blijven noemen, letterlijk zijn steun en toeverlaat.

En nu is Clarence Clemons dood, een beroerte werd hem fataal. Achter dat zakelijke berichtje op een Teletekstpagina gaat een drama schuil. De saxofoon van Clemons was een cruciaal element in Springsteens werk en vormde mede de ziel van de E Street Band. De laatste jaren hoorde je soms stemmen opgaan die zeiden dat de saxsolo’s van Clarence, vooral tijdens de live concerten, verplichte nummers werden. Ze zouden de meesterwerken van Bruce devalueren tot sleetse en versleten songs.

Die mensen hebben er niets van begrepen. Zijn pijnlijke gewrichten hadden misschien hun weerslag op de timing van zijn spel, maar Clarence Clemons was tot het laatste moment in staat tot grote hoogten te reiken. Zijn mooiste solo is te horen in Jungleland, een Amerikaanse stadsopera waarin invloeden van Gershwin en Bernstein doorklinken in zijn warme tenorsaxofoon. In 2009 liet hij dat nog eens horen tijdens het concert van de E Street Band in het Londense Hyde Park. Half zittend en leunend op een kruk, dat wel, maar met een ongebroken geest, bekijk en beluister het hier.

Arme Bruce. Hij eindigt Jungleland met uithalen die doen denken aan wolvengehuil. Trekt de karavaan verder?

 

Vijverwater

Al jarenlang werk ik voor een relatief kleine, maar zeer trouwe kring van opdrachtgevers die mijn teksten met een rustgevende regelmaat opnemen in hun publicaties. Een kalm bestaan waarvan ik ergens in mijn achterhoofd ook wel wist dat het niet eeuwig kon duren. Want er komen rimpelingen, misschien wel golfjes in het vijverwater. Of die iets zullen overspoelen, is even afwachten. Feit is dat allerlei reorganisaties en bezuinigingsrondes bij enkele van mijn belangrijkste klanten grote gaten in mijn orderportefeuille dreigen te schieten. Al hoop ik dat de soep… enzovoort.

Maar het is wel tijd voor een heroriëntatie, voor een zoektocht naar nieuwe terreinen, onderwerpen en opdrachtgevers. Dat valt niet mee als je niet gewend bent de boer op te gaan en acquisitie – zeg maar – niet echt je ding is. Als ik mijn zorgen deel met anderen krijg ik dit heel vaak te horen: “Joh, jij moet gaan schrijven vanuit je passies. Iets met die muziek van jou bijvoorbeeld.” Dat ‘iets’ wordt vrijwel nooit nader omschreven, kennelijk vanuit een soort aanname van ‘je bent daar zo in thuis, dat moet toch een eitje zijn’.

Nogal wat mensen denken dat ik een muziekkenner ben. Ten onrechte. Muziekliefhebber… ja, dat wél. Ik weet wat ik mooi vind, en meestal ook wel waarom. Ik val anderen er soms tot vervelens toe mee lastig. Nu en dan lukt het om mijn enthousiasme over een singer-songwriter of een jong indiepop bandje aan anderen over te brengen. Veel mensen lieten me weten dat ze mijn lijstje van de tien beste platen van 2010 zijn gaan beluisteren (zie mijn Deurpost van 4 december 2010: Nee hè, weer een lijstje…). Dat streelt wel, natuurlijk.

Hoe ouder ik word, hoe vaker ik poptempels als Paradiso, De Melkweg en Doornroosje bezoek. Wat ik in mijn jonge jaren gemist heb, haal ik nu in hoog tempo in (op muziekgebied dan hè, andere dingen zijn een stuk moeilijker in te halen als je ouder wordt…). 2011 wordt mijn drukste concertjaar ooit. Want live muziek is heerlijk. Die spanning als je voor aanvang in het zaaltje staat. Het geroezemoes dat verstomt als de lichten uitgaan en schimmen in het donker op het podium naar hun instrumenten lopen. De spots die aangaan, de basgitaar die een fundamentje legt, de eerste klappen op de drums en de eerste uithaal op de elektrische gitaar. En vervolgens de zang… lekker meezingen met bekend werk.

Laatst was ik bij Josh Ritter. Zijn albums trekken meestal genoeglijk kabbelend voorbij. Maar op het podium is de Amerikaan als een kind zo blij. Zelden heb ik iemand met zo veel aanstekelijk spelplezier op een podium zien staan en zijn liedjes tot leven zien brengen. Hier kun je enkele amateuropnamen van dat concert in het Nijmeegse Doornroosje bekijken. Let op die pretogen!

Goed, ondertussen zou ik niet weten, wat ik – in schrijvende zin – met ‘die muziek van mij’ aan zou moeten, anders dan er af en toe aandacht voor te vragen in deze Deurposten. Dat doe ik met het grootste plezier, hoor. Alleen jammer dat de schoorsteen er niet van kan roken…