Grijze mus

‘Marianne, ik ga naar boven. Voor de 367e keer proberen een Deurpost te schrijven…’ Met die woorden beklom ik gisteren de trap. Ik overdrijf natuurlijk: het waren hooguit twintig pogingen. Allemaal overleefden ze mijn kritische blik niet. Niet interessant. Te larmoyant. Wie zit hier op te wachten? Allemaal al eens gezegd. Te hoogdravend. Gelul. Als ik geen teksten voor opdrachtgevers kan schrijven, zit de deur kennelijk ook muurvast in de Deurpost.

Want dat is wat er aan de hand was. Ik kreeg er geen beweging meer in. Het gevaar dat jarenlang latent aanwezig was onder de oppervlakte van mijn werkend bestaan, openbaarde zich dit jaar in alle hevigheid. Ik was te afhankelijk van de inkomsten van één grote opdrachtgever, met een kleine kring van wisselende kleintjes daaromheen. En als die grote klant dan moet afhaken – niet omdat die dat graag wil, maar omdat hij simpelweg ophoudt te bestaan – heb je een probleem. Ik wist het, maar liet het begaan. Het ging zoals het ging en ik begon te geloven in mijn eigen onaantastbaarheid.

Sommige mensen reageerden verrast toen ze vernamen dat tegenover de opgedroogde inkomsten geen uitkering stond. ‘Tuurlijk niet, ik heb als zzp’er toch geen premie betaald? Dan heb ik er toch geen recht op?’ Zo moest ik mijn probleem ook nog eens uitleggen. Alsof het nog niet genoeg pijn deed.

Beelden van 1979 keerden terug op mijn netvlies. Toen, als net afgestudeerd onderwijzer, kwam ik ook niet aan de bak. Ik zwolg in de muziek van Joy Division, The Sound, Comsat Angels of The Clash… Bands die erin slaagden om het tijdperk nog wat zwarter te inkten. Alsof Dries van Agt en Margaret Thatcher het niet alleen af konden.

En nu dus terug bij af. Anderen van mijn leeftijd zijn hun carrière al aan het afronden. Schaapjes op het droge, een afbetaald huis, vrolijk beleggen en de aanschaf van een camper voor de voorgenomen trektocht door Europa, na ondertekening van de vertrekregeling. En ja hoor… daar komt Van Deursen dan nog eens aankakken. Moet op zijn 56e doodleuk opnieuw beginnen. Daar kiest hij dan ook nog eens een ideaal tijdvak voor uit. Ik ben in alles een laatbloeier – vakanties, studies, concertbezoek, de liefde – maar dit slaat alles.

Het probleem is dat ik mezelf moeilijk kan verkopen. Ik ging een kortstondig maar vruchteloos avontuur aan met een bureau dat 50-plussers aan de bak wil helpen. Het enige inzicht dat is blijven hangen is dat mijn generatie veel te bescheiden is. Jongere mensen hebben er geen enkele moeite mee om elke veer die ze op twitter in hun achterste gestoken krijgen, schaamteloos te retweeten. De gil van de pauw: niet om aan te horen maar hij trekt wel de aandacht en de mensen kijken onwillekeurig naar zijn verentooi. Dan kun je het shaken als grijze mus.

Vaak hoor je mensen zeggen dat die vogel aan het verdwijnen is. Maar in onze tuin klinkt elke dag het vrolijke gekwetter van een uitgelaten gezelschap mussen. Daar trek ik me dan maar aan op. Sinds de zomervakantie komt er wat meer werk op me af. Het is nog lang niet genoeg en er kan nog veel meer bij, zegt het voort. Maar toch. De grijze mus krijgt niemand klein.

Ongenode gast

In het voorjaar wandelden we op een mooie zondag met hond Joop naar een bekende uitspanning. We dachten er iets te gaan drinken op het idyllische terras. Maar er klopte iets niet. We werden bekeken met een blik van wat krijgen we nou? En jawel. ‘Menéér… dit is een beslóten feest, hoor’, bitste een dame die de indruk wekte de hele morgen voor de spiegel te hebben gestaan om haar jurk uit te zoeken. Ze was niet van plan daar zomaar wat voetvolk in spijkerbroek bij in de buurt te dulden. En al helemaal niet met een hond.

Het gevoel een ongenode gast te zijn, bekruipt me tegenwoordig wel vaker. Precies een jaar geleden hakte ik een knoop door: het moest uit zijn met mijn ernstige overgewicht. Nog los van de medische noodzaak (diabetes lag op de loer) werd een blik in de spiegel onverdraaglijk. De knopen dreigden van mijn overhemden te springen en het strikken van mijn schoenveters werd een dagelijkse krachtproef. Ik moest mijn latente boosheid – waarom kan de ene persoon zakken patat eten zonder een gram aan te komen, terwijl elke pinda mijn vetlaag doet aanzwellen? – maar eens omzetten in energie en aan het werk gaan.

Dus kwam er een diëtiste in beeld. Lonneke heeft er niet alleen voor gestudeerd, ze is ook een leuke meid bij wie je niet wil afgaan. Ik volgde braaf haar voedingsadviezen op zodat ik de weegmomenten bij haar zonder parelend zweet op het voorhoofd tegemoet kon zien. Thuis had ik voor dat wegen een absurde routine ontwikkeld. Plassen, scheren, navelpluis verwijderen, gebit flossen, wenkbrauwen bijknippen, neus snuiten, nagels knippen, neusharen trimmen… niets werd aan het toeval overgelaten. Ik zou en moest zo licht mogelijk op die weegschaal stappen. En misschien vergeet ik nog wel een vrolijke activiteit te noemen die ook weer wat cc’s, eh, grammen, kan schelen.

We zijn 12 maanden verder en 31 kilo lichter. Mensen die me lang niet gezien hebben, aarzelen soms om er iets over te zeggen, voor het geval ik iets onder de leden mocht hebben. ‘Goh, eh Jan… jeetje… bewúst?’ Ja dus, bewust. Cholesterolgehalte, glucose, bloeddruk… al die waarden zijn nu (afkloppen) dik in orde. Hardlopen is weer een vast onderdeel van mijn leven dankzij een sportpodoloog die mijn chronisch ontstoken achillespees wist aan te pakken met een paar steunzolen van heb ik jou daar. Drie acupunctuurbehandelingen deden de rest. En zo is kleren kopen niet langer de hel op aarde en een blik in de spiegel weer enigszins te harden. Dat ik me fysiek fitter dan ooit voel, is natuurlijk de grootste winst.

Maar dat ongemakkelijke gevoel blijft. Alsof je er – net als op dat terras – toch niet echt bij hoort. Ik voel me soms betrapt: met een of andere truc heb ik me in de klasse van de happy few gewurmd. Ja, zo zag ik jullie – slankerds – altijd: de happy few. De angst dat ik terugjojo naar mijn natuurlijke verschijningsvorm, is groot. Daarom… besloten of niet, mag ik nog even rondlopen op jullie feestje? Nee, een pilsje hoef ik niet. En die bitterballen laat ik ook maar weer aan me voorbijgaan. Afvallen, het blijft een vorm van masochisme.

Vader

6 oktober 1975. Een maandagochtend. De dag ervoor zullen we mijn 18e verjaardag hebben gevierd, en twee dagen daar weer voor zíjn verjaardag. Of misschien vierden we het wel samen. Ik kan me er niets van herinneren. Wat ik wel onthouden heb, is dat mijn vader die ochtend verging van de pijn. Ergens in de buik, of de lies. Het was heftig, dat was duidelijk. Hij zou die dag naar de dokter gaan, waarschijnlijk was het iets met nierstenen. ‘Komt wel goed. Ga jij maar gerust naar school.’ En zo maakte ik die dag weer mijn dagelijkse gang naar Canossa, het Joris. De scholengemeenschap aan de andere kant van de stad waarvan ik me altijd ben blijven afvragen waarom ik die in hemelsnaam had uitgekozen. En waarom ik daar zes lange jaren heb doorgebracht.

Geen enkele dag voelde goed op die school maar deze al helemaal niet. Onrust. Eenmaal thuis, bleek mijn vader te zijn opgenomen in het ziekenhuis. Hij is nooit meer thuisgekomen. Tweeënhalve maand later konden we hem begraven. Dat er geen redden aan was, besefte ik pas na een aantal weken. Niet dat het me verteld werd. Ik moest het zelf afleiden uit zinnen die ik toevallig opving, en die op gedempte toon werden uitgesproken. Mijn moeder praatte met mijn oudere zus en broer. Hoe het nou moest met een of andere bankrekening. Wat er allemaal geregeld moest worden. Toen pas drong het onvermijdelijke tot me door. Een klassieke scène volgde: in tranen uitbarsten, de trap opvliegen en met je gezicht in het hoofdkussen van je bed belanden. Het zal onvermogen geweest zijn van mijn moeder, dat ze de onheilstijding niet rechtstreeks kon overbrengen, en geen onwil. Of… ergens ook weer wél, natuurlijk.

De bijna 38 jaren die verstreken, hebben grote gaten geschoten in de herinneringen aan mijn vader. Juist van de meest alledaagse dingen heb ik geen beeld meer. Hoe hij zijn neus snoot. Of hoe hij de kolen uit de schuur haalde. Floot hij wel eens een deuntje? Deed hij wel eens boodschappen? Wat smeerde hij op zijn brood? Las hij het Eindhovens Dagblad ‘s ochtends of ‘s avonds? Allemaal weggezonken in de mist van de tijd. Mijn vader werkte in de officiersmess van vliegbasis Welschap. Daar diende hij hoge militairen hun diner op. Zijn kleren roken naar saté, of naar spruiten, kalfsragout of… vul maar in. Bij ónze warme maaltijd was hij er zelden bij. Rond een uur of zeven, half acht was zijn werkdag voorbij. Het beeld van zijn thuiskomst houdt wel stand. Sterker… het is het eerste dat me te binnen schiet als iemand naar mijn vader vraagt. Dit is het.

Een mooie lenteavond in Strijp. Ik ben een jaar of elf en met de kinderen uit de buurt speel ik op straat: verstoppertje, boompje verwisselen, liefdesbal of 1-2-3-4-5 (géén hattekatteboerevangst, dat is voorbehouden aan de speelplaats van de jongensschool). Mijn vader komt op zijn fiets ons Roosendaalstraatje in rijden, vanaf de Bergen op Zoomstraat uit de richting Zeelst. Hij stapt al snel van zijn fiets om achterom, via ‘het gangetje’, achter de simpele rijtjeshuizen door naar de schuur te lopen. Even voordat hij uit zicht verdwijnt, stopt hij. Hij kijkt de straat in om te zien welk spel er gespeeld wordt, en door wie. Zodra hij me ontwaart, zwaait hij met een tevreden lach op het gelaat. ‘Speel lekker door, we zien elkaar zo.’ Zoiets straalt hij uit. Ons pap is thuis. Er is niets aan de hand.

 

Boedapest

Ik ben opgegroeid met het beeld van grauwe oostbloksteden, gelegen achter een kil ijzeren gordijn waar louter apathische, depressieve mensen wonen. Toen het plan rees om een citytrip naar Boedapest te maken, moest ik dus iets overwinnen. De val van het communisme ligt alweer bijna 24 jaar achter ons, maar op de een of andere manier lijkt het voor mij nog maar pas gebeurd te zijn.

Maar zie, het bevalt prima. Ik tref een lieve stad aan waar de zon gewoon schijnt. Met goedwillende mensen die aan beide oevers van de Donau hard werken om het toch al prachtige Boedapest op te poetsen. En voor wie het verleden veel verder weg lijkt, dan voor mij. Nee, lachebekjes zijn de Hongaren niet. Maar achter de introverte gezichtsuitdrukking schijnt optimisme door, en de wil om er wat van te maken. Op de heerlijke lenteavonden die we in Boedapest mogen beleven, zitten groepjes vlotte studenten met elkaar te keuvelen in stadsparken. Het ontspannen geroezemoes is wel weer moeilijk te rijmen met de bepaald onvriendelijke politiek van hun nationalistische premier Viktor Orbán.

Die zal wel heel trots zijn op het gigantische heldenplein van Boedapest, Hősök Tere. Allerlei kopstukken uit de Hongaarse geschiedenis – deels opgesteld in een pompeuze colonnade – staan er in groen uitgeslagen koper belangrijk te wezen. Aan het plein staat ook het Szépművészeti: het Museum voor Schone Kunsten. Een grote banner op het gebouw trekt mijn aandacht: een overzichtstentoonstelling van Helmut Newton, fotograaf in mode en erotiek. Te zien op een plek waar dat voorheen ondenkbaar was, lijkt me.

Het communisme mag dan verdwenen zijn, het idee van de werkverschaffing is nog springlevend. Het aantal suppoosten in het museum is niet te tellen. Terwijl je de expositie alleen kunt zien als je die zonder tas betreedt via streng bewaakte, elektronische sluisdeuren. Alsof je zo’n Newton even in je broekzak naar buiten zou kunnen smokkelen.

De expositie? Prachtig. Prikkelend. Omstreden. Want of al dat bloot met een hoog meesteressengehalte nu een ode, dan wel een belediging aan het adres van de vrouw is, daarover zijn de meningen ernstig verdeeld. Of die scheiding der geesten parallel loopt met de scheiding der seksen, weet ik niet helemaal zeker.

Nadat ik de 250 opnamen aanschouwd heb, zoek ik even een bankje op. Een – naar ik inschat – Italiaanse vrouw van een jaar of 25 zoekt haar weg langs de panelen. Ik probeer van haar gezicht af te lezen welk oordeel zij zal hebben over Helmut Newton. Man examining woman. Haar blik is vooralsnog neutraal. Ik zit schuin achter een paneel waarvoor ze plotseling pauzeert. Het beeld kan ik niet zien, haar gezicht wel. Daarop vormt zich onmiskenbaar een glimlach die herkenning uitstraalt. Ik ben razend nieuwsgierig welke foto het is die haar zo amuseert. Zodra ze uit zicht is, loop ik erheen. Ah, natuurlijk. Woman examining man.

 

Singletasken

Een zenuwenlijder die als een gek over het podium rent om zoveel mogelijk bordjes draaiende te houden op zwiepende stokjes. Het was een bekend nummer in het variété. Tegenwoordig doen we het gewoon zelf. We noemen het multitasken. Wie zoveel mogelijk taken en klussen tegelijk kan uitvoeren, is het mannetje. Of het vrouwtje: die schijnen er beter in te zijn dan mannen. Iets met het instinct van de moederkloek, je kroost zo goed mogelijk kunnen verzorgen en zo.

Inmiddels draait ons bestaan zo dol, dat multitasken een eerste levensbehoefte is. Technologische ontwikkelingen maken dat we niet meer alleen in de weer zijn met sporten, televisie kijken en boeken lezen. Om de vijf minuten gaat de hand in de broekzak richting smartphone. Gadgets en apps hebben ons gegijzeld en geconditioneerd. We weten het, maar blijven desondanks de nieuwste Samsung Galaxy of iPhone met een luid hosanna begroeten. Met snufjes die ons weer verder in beslag zullen nemen. Omdat ze ons leven zo veraangenamen.

Als ik iemand tegenkom die ik lang niet gesproken heb, reageer ik steeds vaker verbaasd op belangstellende vragen. ‘Daar heb ik het toch uitgebreid over gehad op Facebook, was je dat vergeten?’ Nee, dat was de persoon niet vergeten, hij heeft het gewoon niet gezien. Want, domme Jan, er zijn echt nog mensen die niet op Facebook zitten. En diep van binnen ben je jaloers op ze. Dat zij de verleidingen wel kunnen weerstaan, en jij niet. Dat zij niet twitteren, en jij wel. Dat zij nog de rust vinden om een boek te lezen, en jij niet. Dat zij zich niet druk maken over de vraag of die foto facebookwaardig is, en jij wel. Dat zij dat You Tube-filmpje aan zich voorbij kunnen laten gaan, en jij niet. Dat zij niet weten wat populistische politici nu weer de wereld in kotsen, en jij wel.

Inderdaad, hier schrijft een zenuwenlijder met een hang naar singletasken. De focus op één ding tegelijk. Toen ik laatst op bezoek was bij een collega-tekstschrijver, maakte hij me attent op de mij onbekende Pomodoro-methode. Zo genoemd omdat de Italiaanse bedenker zijn werk structureerde met een kookwekkertje in de vorm van een tomaat. Niets bijzonders hoor: 25 minuten werken aan één taak, vijf minuten ‘break’ waarin je even wat anders mag doen. Wij hebben precies zo’n tomaatwekkertje in de keuken staan. Als ding. Driedimensionaal. Gewoon vast te pakken. Met je handjes. Maar wat doe ik? Ik download een Pomodoro-app vanuit de Apple-store. Ja kijk, zo wordt het nooit wat.

 

Toeval

- “Is dat nou niet toevallig? Ga ik een half uur eerder van mijn werk om in de stad die laarsjes op te halen, loop ik daar Sylvia tegen het lijf.”

- “Neuh, vind ik niet zo toevallig. Sylvia werkt in de stad en rond die tijd is ze klaar met haar werk. De kans dat je haar daar tegenkomt, is dus reëel.”

- “Ja maar, dat ik nou net een half uur eerder wegga… Dat verzin je toch niet?”

- “Juist wel. Je zei gisteren zelf dat je die laarsjes vanavond heel graag aan wilde. Dan is het logisch dat je eerder weg moest van je werk om ze voor sluitingstijd te kunnen ophalen.”

- “Ach, jij ook altijd.”

Dit soort gesprekken voeren Marianne en ik dus regelmatig. Nu ben ik geen bètaman – verre van – maar volgens mij zit ik met mijn kansberekenende argumentatie dichter bij de waarheid dan zij.

Toeval is een ingewikkeld concept. Bestaat het nu wel of niet? Geestelijken en filosofen buigen zich al 5000 jaar over die vraag. Zo ook de Rome-watchers van vandaag. Die laatsten zagen de bliksem inslaan in de koepel van de St. Pieter, ‘uitgerekend’ op de dag dat paus Benedictus XVI zijn aftreden bekendmaakte. Een paar uur eerder had de Volkskrant op haar website geschreven dat het nieuws van de terugtreding in Rome was ingeslagen als een ‘bliksemslag’ bij heldere hemel. Toen ik vervolgens op Twitter een berichtje plaatste om melding te maken van die verhaspeling, bleek later dat ik dat gedaan had precies op het moment dat de bliksem daadwérkelijk insloeg…

Over Rome gesproken. Twee maanden eerder had ik vijf brieven op de bus gedaan om mijn laatste (administratieve) banden met de RK-kerk door te snijden. Maar uit de reacties werd me al snel duidelijk dat een feitelijke uitschrijving uit de RK-kerk eigenlijk niet mogelijk is. Want hoe maak je een doop ongedaan? Het gesprenkelde water is na 55 jaar wel opgedroogd, deppen kan niet meer. En je staat met je doopnamen voor eeuwig in het doopregister geïnkt, als een tatoeage in de huid. In een mailtje van één regel liet de Eindhovense parochie Sint Joris (daarin bleek mijn doop- en geboorteparochie Strijp te zijn opgegaan) mij weten dat er een aantekening in het register geplaatst was. Daaruit moest blijken dat ik de kudde had verlaten.

Zo prozaïsch was het dus: gewoon een krabbeltje – van ene mevrouw Van Gastel, zo bleek – als slotakkoord van een proces waar ik jarenlang tegenaan liep te hikken. Nu ken ik mevrouw Van Gastel niet, maar zelfs als ze blauwe ogen heeft, wil ik daar niet op vertrouwen. Dus wilde ik wel bewijs zien van deze ‘ontdoping’. Of ik dus een kopie van die aantekening doorgestuurd kon krijgen? Mail na mail stuurde ik, maar mevrouw Van Gastel zweeg als het graf.

De telefoon gepakt, precies op de dag dát… Niet mevrouw Van Gastel maar een – zo te horen – wat oudere man stond mij met merkbare tegenzin te woord.

- “U snapt wel dat u sowieso helemaal van z’n levensdagen nooit niet uit het doopregister geschrapt kunt worden?”

- “Daar ben ik inmiddels ook bang voor, ja.”

- “En u heeft toch bericht gehad dat er al een aantekening gemaakt is?”

- “Zeker”.

- “Nou dan!”

- “Tja. Ik wil het nu eenmaal zwart op wit zien. Dus nogmaals: een kopie graag!”

- “U drijft het wel op de spits, hè?”

- “Vindt u?”

Precies zes minuten nadat ik bovenstaande regels op mijn scherm had ingevoerd, vond ik beneden een envelop van Sint Joris in de bus. Inhoud: een knullig kopietje. Met mijn ‘ontdoping’ die, in tegenstelling tot mijn inlijving door Rome 55 jaar eerder, zonder enig ceremonieel vertoon heeft plaatsgevonden. Kijk, meer is het niet.

 

 

 

 

 

 

 

Wat mijn ouders hiervan zouden hebben gevonden? Misschien is de wens de vader van de gedachte maar met de wetenschap van nu hadden ze het misschien nog wel begrepen ook. De verschijning van een mooie ree in het besneeuwde bos tijdens de avondschemering van diezelfde dag – het dier keek me een halve minuut aan alvorens het struweel weer op te zoeken – heb ik maar opgevat als een bevestiging van die gedachte. Of was het betekenisloos toeval?

 

Nanco

♪♫. Uit mijn broekzak klinkt gesmoord het WhatsApp-riedeltje. Bericht van vriend Johan: ‘Nanco heeft vanochtend een kerstliedje gemaakt’, gevolgd door een link naar een bestand. Al snel schalt ‘Rijden op de arreslee’ door de kamer. Niet toevallig is het een bewerking van ‘Wespen op de appeltaart‘, een van de mooiste nummers van Spinvis, al jarenlang een muzikale held van Johan’s zoon. Het is een grondige bewerking: niet alleen heeft Nanco een alternatieve kersttekst geschreven, ook de muziek heeft hij met een midi-editor (vraag me niet wat het is) en met hulp van wat samples opnieuw ingespeeld.

Nanco heeft een aandoening in het autistisch spectrum. Zo heet dat tegenwoordig. Een aandoening van het soort waar onze keurig aangeharkte samenleving zich geen raad mee weet. Nanco valt in de wereld van zorgsystemen en welzijnsstructuren al jarenlang tussen de wal en het schip. Onderwijs en zorg… hoezeer er ook gezocht is, en hoe vaak het ook geprobeerd is… er is geen potje te vinden waarop Nanco’s dekseltje écht past. Hij kon altijd terecht bij uiteenlopende (meng)vormen van dagopvang en onderwijs waar lieve mensen zich met veel inzet om hem bekommerden. Maar altijd onder de voorwaarde dat het niet moest botsen met de zorg voor andere kinderen. Want dan…

Nanco is dit jaar 18 geworden. Jarenlang was die leeftijd een stip aan de horizon, maar niet een waar hij naar uitkeek. Je scheen dan ‘volwassen’ te worden en zou je moeten klaarmaken om iets in de boze buitenwereld te gaan doen. Of liever, de gevaarlijke buitenwereld. Want die zit vol bedreigingen. Hij zou het liefdevolle, warme huis waarin hij woont én de thuishaven in zijn hoofd – veilig en volledig naar eigen inzicht in te richten – moeten verlaten. Hoe? Nanco zou het niet weten. Maar – en dat is het pijnlijke – wij, de samenleving, ook niet. We hebben allerlei regels opgesteld over werk, arbeidsdeelname en geld verdienen, maar we kijken het liefst de andere kant op als er mensen zijn die vanwege een beperking niet aan die regels kunnen voldoen. Dan ontlopen we onze verantwoordelijkheden. We worden collectief nerveus van alles wat niet in hokjes te vangen is.

Een paar maanden geleden werd het Nanco te veel. Het pantser van zijn fantasiewereld was niet sterk genoeg meer om de chaos van daarbuiten te weren. Hij raakte in paniek, was verward en schoot af en toe in een psychose. Zelfs de muziek, zijn muziek, bood geen soelaas meer. Eindeloos pielend met soundbites, samples en elektronica in audioprogramma’s waarvan ik de naam niet ken, moet hij al honderd composities op zijn naam hebben staan. Dat begon als 11-jarige met ‘Een prikje’ waarin hij zijn angst voor een injectie bij de dokter vakkundig wegzong. Spinvis (Eric de Jong) is bij dat alles een inspiratiebron van jewelste. Die knutselt zijn juweeltjes immers ook op een zolderkamertje in elkaar. Maar goed, nu was de koek even op bij Nanco. De róze koek.

‘Wespen op de appeltaart’ is bij Marianne en mij al jarenlang een kraker. De zin ‘Ik hoop maar dat er roze koeken zijn’ is een running gag geworden als we naar een feestje gaan. Het liedje klinkt heel vrolijk, maar heeft een serieuze ondertoon. En in de hoofdpersoon kan Nanco zich waarschijnlijk heel goed herkennen. Ook die zorgt voor meer verwarring in zijn omgeving dan dat hij zelf ervaart. De passage ‘Ik weet nog steeds niet (…) hoe het nou verder moet met mij’ is in Nanco’s versie overeind gebleven. Om die regel uit zijn mond te horen… de ontroering was groot. Nanco kon, mede dankzij oneindig veel steun en geduld van de mensen om hem heen, terugvechten. ‘Hij ís er weer’ schreef Johan nog. Mooi kerstcadeau of niet?

De 10 van ’12

Dit zijn ze dan, mijn 10 van ’12. De lijst is belegen, ik geef het onmiddellijk toe. Van de andere kant: belegen kaas is wel het lekkerst…

2012 was voor mij een vlak muziekjaar. Maar ik heb dan ook veel gemist. En albums die overal juichend onthaald werden, brachten bij mij slechts een licht schouderophalen teweeg. The XX, Django Django, Alt-J of Tame Impala… ‘Wel aardig’ dacht ik hooguit. De behoefte aan eenvoud groeit. Gewoon, liedjes. Met pakkende melodieën, fraaie zangpartijen en meezingbaarheid. Mijn nummer 1 voldoet daar helemaal aan.

 

  1. Pray To Be Free – James Levy & The Blood Red Rose. Een album dat herinneringen oproept aan de samenzang van Nancy & Lee. We horen James Levy, een bariton als  chocolade, en Allison Pierce, een alt als slagroom. Kortom: het muzikale equivalent van de enige echte Bossche Bol van Jan de Groot. Yummie. Prijsnummer: Hung To Dry.
  2. One Day I’m Going To Soar – Dexys. Kevin Rowland komt eindelijk de 21e eeuw binnengelopen met wat nu Dexys heet. Het album is heerlijk en hilarisch. We horen een onzekere man met bindingsangst. Én met passie. Prijsnummer: She Got A Wiggle.
  3. Life Is People – Bill Fay. Prachtige trage ballads van een man die in de jaren zeventig zijn enige platen uitbracht, in de vergetelheid raakte en – onder meer dankzij Wilco – een onwaarschijnlijke comeback maakte. Prijsnummer: Never Ending Happening.
  4. Gunder – Daniël Lohues. Een liefde die geen liefde bleek, vluchtige ontmoetingen die een onuitwisbare indruk maken, de dood en de troost van je moeder. ‘Ach mama, wat ben ik ja bange, mag ik in plaats van een keersie, een pleister, een smak op de wange?’ Prijsnummer: Komp wel goed.
  5. Jake Bugg – Jake Bugg. Snotjochie ademt de oude garde in de nek en pompt wat vers bloed in deze oude lijst. Lekker brutale singer-songwriter, vroeg-Dylanesk van tijd tot tijd. Prijsnummer: Broken.
  6. Come Of Age – The Vaccines. Gaan vrolijk door op de ingeslagen weg met onweerstaanbare popsongs. Prijsnummer: Teenage Icon.
  7. Out Of The Game – Rufus Wainwright. Zijn stem wordt leniger en leniger. Rufus is op weg een grote crooner te worden. Prijsnummer: Perfect Man.
  8. Wrecking Ball – Bruce Springsteen. Mijn Man of the Year rust nooit op zijn lauweren en blijft altijd relevant. Het prijsnummer, al een jaar of veertien bekend van het podium, is nu eindelijk ook ‘op de plaat’ gezet. Prijsnummer: Land Of Hope And Dreams.
  9. That’s Why God Made The Radio – The Beach Boys. Een optreden bij Jools Holland deed pijn aan de oren, maar op dit album was die kraakheldere zang er gewoon weer. Geen idee hoe ze het geflikt hebben. Maakt niet uit, het album ís er. Prijsnummer: That’s Why God Made The Radio.
  10. La Futura – ZZ Top. Vuige bluesrock van drie veteranen. Met natuurlijk een briljante ballad erbij. Belegen? Ja, en lekker dus. Prijsnummer: Chartreuse.

Lekker alle albums beluisteren? Ze staan in deze Spotify-lijst.

 

Tippi

Na afloop van een concertbezoek in Amsterdam zorgde een bak treinellende ervoor dat we uiteindelijk om tien voor half drie in de nacht de sleutel in de voordeur konden steken. Ik zal u de details van onze reis besparen.

Onze Joop, die de avond had doorgebracht bij zijn grote vriendin Lidl (verderop in onze straat), was alweer thuisgebracht en had het fort nog bewaakt tot onze thuiskomst. Om hem te belonen, maakte ik nog een nachtelijk rondje met hem. Op dat tijdstip waan je je de enige op aarde. Des te groter de schok als iemand hetzelfde idee als jij gehad blijkt te hebben en ook nog buiten loopt met zijn viervoeter: Tippi.

De naam doet vermoeden dat het om een schoothondje gaat maar het is een behoorlijk uit de kluiten gewassen herdershond. Hij roept al jaren onrust bij mij op. Dat stamt uit de tijd van onze vorige hond, Boomer. Tippi, die nooit aangelijnd was en geen gezag erkende van wie dan ook, was in de kracht van zijn leven en schiep er een sardonisch genoegen in om Boomer het leven zuur te maken. Als we elkaar tegenkwamen, zakte hij door de poten en begon als een poema in een angstaanjagend traag tempo op zijn prooi, onze grote grijze geitenbreier, af te sluipen. Het was wachten op de uitval. Die kwam altijd. Met veel gegrom schoot hij ineens met opengesperde bek op ons af. Het bleef bij een toneelstukje. Eenmaal gepasseerd, dacht je hem tegen zijn baas te horen zeggen: ‘Hè, hè, dat was weer lachen’.

Maar naarmate Boomer ouder en strammer werd (ik heb daar al eens een Deurpost aan gewijd) begon de kwelgeest bloed te ruiken en werden de uitvallen steeds minder onschuldig. Tippi begon écht te happen en het was zaak tussen ‘het beest’ en Boomer in te staan om ongelukken te voorkomen.

De jaren verstreken. Boomer ging, Joop kwam, Tippi bleef. Ik hield mijn hart vast toen we hem voor het eerst weer tegenkwamen. Moest ik voor Joop ook een verdedigingsstrategie bedenken tegen ‘das Ungeheuer’? Nee. Waar ik de neiging had om Joop zo ver mogelijk van Tippi weg te houden, stapte hij zelf onbevangen op het dier af, in zalige onwetendheid van de voorgeschiedenis. Binnen de kortste keren stonden ze rondjes om elkaar te draaien en voerden ze een nasale inspectie op elkaar uit van het soort dat mensen altijd wat gegeneerd naar elkaar doet kijken. Alleen hield de baas van Tippi zich – zoals altijd – afzijdig. Dat was ook steeds een deel van het probleem geweest.

Goed, die nacht. In het duister zag ik hoe het voormalige beige gevaar zijn poten moeizaam wankelend voortsleepte over de klinkers van de straat. Hij is nu zelf oud en stram. Heel even overwoog ik om Tippi iets in zijn oor te sissen: ‘Hoe zou je het vinden als Joop je nou eens te grazen nam?’ Om meteen de onzinnigheid in te zien van wraakgevoelens ten opzichte van een dier. Bovendien: Joop vindt Tippi leuk. Geen kans. Ik ging hem toch maar weer uit de weg en stak over. Gekwelde ogen volgden Joop, het lichaam kon dat niet meer. Joop maakte alsnog aanstalten om Tippi een groet te brengen. Ik liet het niet toe en trok hem met me mee. Nog een keer keek Joop om. Ik ook. We zagen een droeve blik. Een kwispelende staart kwam langzaam tot stilstand.

 

B&B

Om een uur of een in de middag bellen we aan bij de Bridgend B&B op de Village Green in Drumnadrochit. Naast de voordeur zit een koperen plaatje aan de muur geschroefd dat blijk geeft van historisch besef en droge humor: ‘In 1832 on this spot absolutely nothing happened’.

De deur wordt open gedaan door een oudere dame met een jeugdig uiterlijk. Ze draagt een schort én een verschrikte blik: ‘Oh dear, zijn jullie er al? De meesten bellen pas rond een uur of drie, vier aan. Jullie bagage is er ook nog niet, I’m afraid.’

Dat kan wel wezen maar op deze enige dag tijdens onze wandelvakantie over de Schotse Great Glen Way waarop we drijfnat de eindstreep halen, zouden we toch wel graag wat droogs aantrekken. Waarop Rosalyn, van de schrik bekomen, raad weet: ‘In jullie kamer hangen twee badjassen. Ga lekker douchen en trek ze aan. Kun je daarna de Wimbledonfinale zien bij de dames. Serena Williams – mind you, I never liked her – against some Polish girl.’

Rosalyn is het type vrouw dat altijd een meisje is gebleven. Als ze onze kamer laat zien, wijst ze op Lucy en hondje George die ook op onze kamer verblijven: twee poppen die een oogje in het zeil houden en een belangrijke functie als kamerbewaarder bekleden. Of wij dan ook goed voor hen willen zorgen, zo vraagt Rosalyn ons bloedserieus en met grote nadruk.

Rosalyn bestiert de B&B in haar eentje, zo blijkt al gauw. Een man is er nooit van gekomen, Molly wel, een King Charles Spaniel die haar naam eer aan doet en tegen wie ze alles kwijt kan. Maar nu lucht Rosalyn haar hart vooral bij ons, de gasten. Zo is een goede kennis, ook al een George, vorige week overleden. ‘Such a shock. Een boom van een kerel, oud-militair, altijd keurig in het pak en in een paar maanden veranderd van een statige man in een zielig hoopje mens. Oh dear.’

Rosalyn maakt zich een beetje zorgen over ‘The Norwegians’ die een andere kamer in de Bridgend bewonen, een vrouw met haar twee kinderen. Het jongetje van een jaar of tien heeft haar hart gestolen want hij is ‘absolutely crazy about Molly’. Zijn oudere zusje van dertien is zo verlegen dat ze nauwelijks een woord uitbrengt. ‘But if she does, she doesn’t speak any English. And she eats so much sugar, can’t be right…’

Als we er een dagje op uit zijn geweest, ’s avonds laat de sleutel in de voordeur steken en stilletjes de trap op denken te lopen – om niemand te wekken, zo maken we onszelf wijs maar vooral om even geen conversatie te hoeven aanknopen, we zijn moe – komt Rosalyn alsnog als een duveltje uit een doosje tevoorschijn. ‘Did you have a nice day?’ We voelen ons betrapt, ongeveer zoals buurman Emmett van Hyacinth in ‘Schone Schijn’. Waarna staand op de trap steevast alsnog een uitwisseling volgt. Door een half gesloten deur vangen we een glimp op van haar kamer. Alle landschapsaquarellen van bens, glens en lakes, porseleinen hondjes en sierkussentjes met bloemetjesdessins zijn kennelijk naar de rijkelijk gemeubileerde gastenkamers gegaan want we krijgen de indruk dat ze aan haar eigen woongedeelte veel minder aandacht besteedt. Een B&B runnen, dat is vooral een kwestie van opoffering: van ruimte, van privacy en misschien ook wel van luxe.

Als we na drie nachten in The Bridgend afscheid nemen van Rosalyn en haar de hand denken te schudden, maakt zij er een stevige omhelzing van met drie klapzoenen op de wang tot besluit. Hoe moet dat nu met Rosalyn in de stille wintermaanden? We hopen maar dat Molly aandachtig blijft luisteren.