Bullshit

Vooruit. Ik doe het nog eens, dacht ik. Ik zal me weer eens laten toespreken door iemand die denkt te weten hoe ik meer opdrachtgevers kan aanboren en meer omzet kan genereren. De aanmelding voor het webinar was nog niet weg of er kwam een autoreply binnen met het linkje dat ik de volgende dag om precies 12.00 uur zou moeten aanklikken. Ik kende de spreekster vaag van een durf-te-vragensessie, toen dat fenomeen nog volop in opkomst was. De deeleconomie diende zich aan. We gingen elkaar helpen. Met kennis, inzicht en materie, ja dat ook. En natúúrlijk via social media. De mevrouw had er een boek over geschreven in een tijd waarin de term fake news nog niet bestond en we nog dachten dat Twitter en Facebook de mensheid zouden redden. En ze had recht van spreken. Was ze immers niet bij de eerste 500 LinkedIn’ers van Nederland? Nou dan!

De mevrouw had zich zo’n kleine tien jaar later ontwikkeld tot, ja, tot wat? Want hoe noemen ze zich wel niet? Zelfstandig professional, jazeker. Maar ook: happy camper, barefoot bohemian of – in haar geval – vrijheidsondernemer. Toe maar. Slechts 4 maanden per jaar werkt ze keihard, om de rest van het jaar weliswaar niet te lanterfanten maar wel lekker ontspannen te investeren in zichzelf, een IJslands paard te berijden of marketingexperts around the globe te ontmoeten tijdens congressen of TED-talks. Ja, dat klinkt nu allemaal wel heel mooi, maar neem van haar aan… het was een leerproces hoor. Poeh!!! Haar man was er bijna onderdoor gegaan met die ambities van haar. Altijd maar door hè? Stom. Krijg je een keer op je bord. Er ging – wilde ze dus maar zeggen – een stevige les aan vooraf. Het vroeg om bewustwording. Bij jezelf komen. En nagaan: waar word ik nou echt blij van? En om het vinden van dat punt waarop je de wereld brutaalweg laat weten: schijt! Ik doe het op mijn manier, al verklaart iedereen me voor gek.

Dit soort rare vogels fladdert heel graag rond in het land der zzp’ers. Ze prikkelen, ze teasen. Ben ik niet mooi? Heb ik geen prachtige kleuren? Vang me dan! Oeps, dat was bijna maar je moet er wel wat voor doen. Kom, uit je comfort zone. Want anders gebeurt er niets, dat weet jij ook. Of blijf je liever hangen in uurtje-factuurtje en blijf je een slaaf van jezelf? Focus liever! Kies je strategie. Ga voor een écht verdienmodel (trouwens, in dit boek heb ik er 50 op een rij gezet, kost nu maar 16 euro en – niet om mezelf op de borst te kloppen hoor, of eigenlijk wel haha, maar dus echt een must). Creëer waarde! Stoot af! Besteed uit! Ga voor het avontuur. Met toppen maar onvermijdelijk ook met dalen. Wees niet bang voor die negen mislukkingen. Vecht! Because fear is your biggest enemy. En dus… nummer tien, dat wordt ‘m, baby! En dan… dan kun je echt van jezelf gaan houden.

En dan nu… (tromgeroffel)… wil je weten hoe we dit allemaal voor elkaar gaan krijgen? Ga met mij mee op mijn cruise. Op de boot vertel ik er alles over. Compleet met roadmap to freedom. Oh, en tel effe drieduuzendzeshonderddertig euro neer. Special price for you my friend.

De bullshit. Echt, de búllshit!

Het echte dorp

Een tijdje geleden las ik een artikel over de vermeende arrogantie van Amsterdammers. Ze kijken nogal neer op ons, de buitengewesten. Althans, dat is het beeld dat van de Amsterdammer bestaat. Het is nu eens onderzocht. En wat denk je? De Amsterdammer is arrogant. Ter verdediging: hij kan het niet helpen. Want als je zo verwend bent met je musea, theaters, toprestaurants, concertzalen, filmhuizen, debatcentra en nu eindelijk ook een Johan Cruyff Arena (waarin een stelletje steenrijke godenzonen overigens geen deuk in een pakje boter meer speelt)… probeer dan maar eens te geloven dat je niet in het centrum van de wereld woont.

Ik kan niet ontkennen dat het concept van hoofdstedelijke arrogantie ook in mijn hoofd bestaat. Het gekke is dat de Amsterdammers die ik persoonlijk ken dat beeld niet voeden. Ze staan open voor wat zich in mijn omgeving afspeelt, genieten van onze gezamenlijke wandelingen op deze of gene heide, zijn geïnteresseerd in de plaatselijke politiek of stellen vragen over de woningbouw in mijn dorp.

Maar goed, stedelijke arrogantie komt voor op elke schaal. Waar Nijmegen vanuit Amsterdams perspectief niets meer is dan een – misschien interessante, maar toch – provinciestad, kijken Nijmegenaren op hun beurt vaak meewarig naar de omringende dorpen. De cultuurmaatschappelijke voorhoede is namelijk nogal vol van de eigen stad, waarin ik trouwens ook graag vertoef. Maar de eigenliefde slaat hier en daar door. Zo wordt er stevig getamboereerd op het Romeinse verleden en de status als oudste stad van Nederland die daaruit zou voortvloeien. Dat gaat gepaard met een groot gevoel van trots.

Nu is trots een begrip dat zwaar aan inflatie onderhevig is. Het kleindochtertje dat het strikdiploma haalt, de pup die zijn drolletje voor het eerst buiten draait, achterneefje dat een zelfgemaakte tekening in de handen van Maxima drukt… Op Facebook zijn we tegenwoordig om alles supertrots. Sinds Rita Verdonk met trots aan de haal ging, kan ik het woordje nauwelijks nog aanhoren. En al helemaal niet als het samengaat met chauvinisme, patriotisme, nationalisme en om het even welk ander geografisch bepaald superioriteitsgevoel. Catalonië bewijst maar weer eens tot welke gekte dat kan leiden. Trots… dat ben je op je moeder of je buurman als die boven zichzelf zijn uitgestegen. Of omdat er een leven is gered. Maar toch niet omdat je toevallig op die ene plek geboren bent en niet op die andere? Of omdat je huis hier staat en niet daar?

Waarom moet een Nijmegenaar zich op de borst slaan omdat hij toevallig woont op een plek waar een dronken Romein tweeduizend jaar geleden een paal met het bordje Noviomagus de bodem in jaste en besloot dat dit een stad moest worden? Onzin! Het is trouwens net zulke onzin om je schuldig te voelen over het feit dat jouw stad een deel van het eigen historisch erfgoed verkwanseld heeft (de Valkhofburcht en de vestingmuren) of over de wetenschap dat Nijmegen zichzelf een jaar of vijftien geleden het allerlelijkste stationsplein van Nederland cadeau heeft gedaan.

De komst van de Spiegelwaal en het bijbehorende rivierpark met zijn strandjes is een fraai staaltje landschapskunst aan de noordkant van de stad. Zeker. Maar om je vervolgens te tooien met de krankjoreme titel Summer Capital of Holland… Ik moet er smakelijk om lachen. Het zomerse festival De Kaaij dan? Het is heel hip om daar in een tochtgat onder de oude Waalbrug op een wankel bistrostoeltje een mojito weg te nippen bij een snel koud wordende samosa op een vettig kartonnetje, luisterend naar het wegwaaiende geluid van een sympathiek maar niet zo heel goed strijkje. Maar wat er de lol van is?

Als bewoner van de periferie moet ik altijd grinniken als ik een Nijmegenaar voorstel om bij mijn koortje te komen zingen. Pure voorpret want ik weet precies wat de reactie wordt. Aanvankelijke nieuwsgierigheid smelt direct weg als ze horen waar dat koor actief is. In Beugen. Wáár? In Beugen! Je zíet ze denken: ‘mijn hemel, ik ga toch niet naar een boerengát om wat liedjes te zingen in een café naast een fokking kerk?’ Waarna ik vriendelijk maar beslist bedankt wordt en te horen krijg dat ze daarvoor echt niet vanuit de grote stad hoeven af te dalen naar het platteland.

Maar als ik een paar dagen later op een Nijmeegs verjaardagsfeestje de roddels en achterklap aanhoor met nieuwtjes uit de ons-kent-onskringetjes van wethouders, journalisten, ondernemers, theaterdirecteuren en vastgoedbobo’s denk ik: wat is hier nou het échte dorp? Ik begrijp die Amsterdammers wel.

Kat en hond

Daarnet was het weer zo ver. Een rode, gestreepte kat die vrolijk zijn urine in het rond sproeide in de hoek van onze tuin. Zoals we nu amper nog begrijpen dat we het ooit normaal vonden om in vergaderzaaltjes, cafés, restaurants, treinen en vliegtuigen doodleuk in een verstikkende tabaksrook te gaan zitten, zo mag ik hopen dat we het over een tijd heel vreemd vinden dat de kat gewoon in de tuin van de buren zijn gang mocht gaan. Dat besef begint in ieder geval al te dagen.

Ik beken: als hondenman ben ik gevoelig voor het thema. Wij hebben het namelijk nogal eens voor onze kiezen gekregen. Elk jaar weer dat obligate berichtje in de krant: ‘Hondenpoep nog steeds grootste ergernis’. Natuurlijk erken ik dat dat probleem er was en – deels – nog is. Over pitbulls en vechthonden, hondenbeten… tja, ook die overlast is er, helaas. Maar zoals je wegpiraten hebt die onverantwoord met hun auto of motor omgaan, zo heb je ook mensen die eigenlijk geen hond moeten hebben. Ook waar: elk jaar staat er wel een bericht in de krant dat een hond een ree heeft gedood in het bos. Triest, mooie beestjes. Zou niet moeten. Mensen schreeuwen direct moord en brand maar wenden de blik af zodra hobbyjagers erop los knallen in de weken voor kerst. Want als het wild met een lekkere saus op het bordje komt, is de dood van een ree ineens niet meer zo erg.

Maar oké, die hondenbelasting hadden we aan onszelf te wijten. Al blijft het wel steken dat er met de opbrengst van die belasting niets zichtbaars gebeurt. In mijn gemeente althans niet. Extra bakken? Nee. Poepzakjesautomaten? Nada. Ondertussen komen kattenbezitters gewoon weg met de overlast die hún huisdieren veroorzaken. Want behalve de kadootjes die ze in onze tuinen achterlaten, pakken ze onschuldige merels en roodborstjes. Of anders wel die ene zeldzame bruine lijster die in ons land gesignaleerd wordt. Half afgekloven muizen deponeren op de drempel van de keuken… daar zijn ze ook heel goed in. Knap hoor. Of meneer trakteert de buurt, samen met een aantal rivalen, ‘s nachts op een ijselijk gekrijs als er weer een krolse poes in de buurt is. Voor de rest ligt hij de hele dag lekker eigenzinnig en onafhankelijk te wezen op krant of laptop. Omdat we van Midas Dekkers moeten vinden dat dat zijn charme is, dóen we dat nog ook.

Wat stellen verschillende delegaties van de hondenpopulatie daar allemaal tegenover, nog afgezien van die onzinnige belasting? Ten eerste hebben ze humor, zo blijkt maar weer eens uit dit bericht.

hond-en-humor

En verder? Honden helpen blinden hun weg te vinden, beschermen veteranen met het posttraumatisch stresssyndroom, waarschuwen hun baasje dat er een epileptische aanval zit aan te komen, bieden structuur aan het leven van kinderen met autisme, vinden slachtoffers van aardbevingen onder puinhopen, sporen vermisten op, hoeden schapen, bieden hulp in de huishouding aan MS-patiënten, grijpen misdadigers bij hun lurven, signaleren drugs in koffers en containers, bewaken huizen en schrikken inbrekers af. En vrijwel alle honden brengen hun baasjes elke dag drie of vier keer in beweging waardoor ze aan hun 10.000 stappen per dag komen, hart- en vaatziekten voorkomen, hun hoofd leeg kunnen maken, ’s avonds de buurt in de gaten houden, sociale contacten opdoen en nader tot elkaar komen.

De betekenis van de hond voor onze samenleving is bepaald géén kattenpis: het dier vertegenwoordigt een enorme economische en sociaal-maatschappelijke waarde. En dus: weg met de belasting op hondenbezit. Poezenmensen: ik gun jullie het geluk van gezellig gespin bij een knapperend haardvuur, echt. Maar als het aan mij ligt, nemen jullie het belastingstokje nu eens van ons over. Voor minstens een eeuw.

Vruchtbare grond

In ons bos, bij het bankje met de prullenbak, zit een vertrouwde verschijning in zijn scootmobiel. Joop stormt op hem af. Want hij weet: brókjes!

Henk – eerlijk gezegd weet ik niet hoe hij heet, maar zo noem ik hem altijd maar – heeft zijn vaste klanten. Iedere hond die hem daar op zijn vaste standplaats passeert, krijgt iets toegestopt. Tenzij het baasje moeilijk doet. ‘Die héb je hoor, van die zeikwijven die niet willen dat hun hondje iets krijgt. Nee, want dan krijgt Beautje last van dit of van dat. Dan lopen ze in een boog om me heen.’ Ik vertel het Henk maar niet, maar mij bekruipt de gedachte dat de walm van nicotine en bier – die Henk nogal eens met zich meedraagt – ook een oorzaak van die boog kan zijn.

Hij draagt de onvermijdelijke honkbalpet en zijn al even onafscheidelijke mouwloze spijkerjack dat de tatoeages op zijn armen bestaansrecht geeft. Teksten zijn het vooral, maar ik ben altijd wat beschroomd om ze eens uitgebreid te gaan staan lezen als Henk daar weer zit. Boven zijn grijze hangsnor – model Lemmy – is de zonnebril prominent aanwezig. Die heeft vandaag een belangrijke functie.

Henk staat met de neus van zijn voertuig al in de richting van het dorp verderop, waar hij woont. Dat betekent dat hij het bezoek aan míjn dorp al achter de rug heeft. En jawel. ‘Ik kom net van de dierenarts. Kijk, daar ligt ie.’ Hij wijst op een dichtgevouwen kartonnen doosje dat beneden in de scootmobiel tussen zijn voeten staat, daar waar je eerder een gaspedaal zou verwachten. Hij ziet mijn vragende blik en voegt er al snel aan toe: ‘Mijn rátje. Eergisteren was er nog niks aan de hand, en vandaag had ie me toch een gezwel op zijn pootje… zó’n joekel. De dierenarts heeft hem onderzocht en vond er onder zijn keeltje nog een. Ja, dan weet je het wel. Ik zeg tegen haar: geef hem maar een spuitje. Kreeg ik nog korting ook, omdat ik er al zoveel had laten inslapen. Komt me wel goed uit hoor, ik heb ook alleen maar wao.’

Henk vertelt hoe zijn ratje zich elke avond om zeven uur bij hem meldde, als hij thuis op de bank voor de tv ging zitten. ‘Dat wist ie precies, dan begon… Kom, hoe heette dat nou? Man Bijt Hond! En dan liep hij van mijn hand over mijn arm naar mijn schouder en ging hij in mijn nek liggen slapen. En wat denk je dat er net gebeurde? Hij krijgt dat spuitje en loopt op precies dezelfde manier over mijn arm naar mijn nek. En daar ging hij weer tegen me aan liggen. Maar ja, nu werd ie niet meer wakker.’

Zijn stem breekt. ‘Je hebt het er moeilijk mee, hè?’ Mijn vraag is behoorlijk knullig en overbodig. Henk begint hevig te knikken. ‘Ik heb niet voor niks mijn zonnebril op.’ Hij heeft de zin nog niet uitgesproken of hij neemt hem af en gunt me een blik op zijn rode, vochtige ogen. Heel even dan.

‘Ik ga hem maar begraven in de tuin. In de hoek waar ik ze allemaal neerleg. Laatst nog een kip en een van mijn twee pitbulls. Dat was me er eentje, hoor. Er hoefde niemand een vinger naar me uit te steken, want hij zou ze gevat hebben. Maar ja, die is er dus ook al niet meer. Trouwens, de planten in die hoek doen het ontzettend goed. Vruchtbare grond, hè? Dat dan weer wel.’

Draai om de oren

De kop ging weer in het zand. Tien, twaalf dagen lang. Geen kranten, geen praatprogramma’s. Alsjeblieft niet. Mijn standaardreactie op nieuws waar ik geen raad mee weet of waar ik verdrietig van word. Dat gebeurt na gruwelijke aanslagen, en het gebeurde ook na dat krankzinnige Oekraïne-referendum en de voorspelbaarheid waarmee mijn landgenoten, mijn landgenoten, daarop reageerden. Leg een Nederlander de vraag voor of hij voor of tegen is, en dan weet je het wel. Het onderwerp doet er niet toe. Hij is tégen.

Het referendum maakte een radeloosheid in me los waar ikzelf van schrok. Op zulke momenten zijn er verschillende scenario’s denkbaar. Ik laat Land Of Hope And Dreams van Bruce Springsteen door het huis schallen, ik smijt met voorwerpen of – maar dan moet ik weer enigszins tot rust zijn gekomen – ik wend mij tot de Facebookpagina Finding Dutchland. Die is balsem voor de ziel voor elke Nederlander die zijn landgenoten standpunten ziet innemen die ondenkbaar waren in het Nederland waarin hij is opgegroeid. In het Nederland waarin hij geloofde.

De Nederlander is inmiddels al zo’n vijftien jaar boos. Waarom? Dat weet hij zelf niet. Maar hij ís boos. Populisme is van een af en toe terugkerende bevlieging uitgegroeid tot een kwaadaardige tumor. Maar op Finding Dutchland niets van dat alles. Het is de pagina van een Amerikaanse vrouw die sinds een paar jaar in Nederland woont. Om haar familie en vrienden te laten weten hoe het is om hier te leven, heeft ze een droomhoekje gecreëerd. Alice in Wonderland.

De ene na de andere lofzang op ons land kom je er tegen. Hoe de mannen hier meehelpen in het huishouden, waarom Nederlandse kinderen de gelukkigste van de wereld zijn, dat we zo’n relaxed koningshuis hebben en natuurlijk dat wij, it’s really amazing, alles op de fiets doen. Op Finding Dutchland leeft de Nederlandse idylle gewoon voort. Hier kun je blijven geloven dat we dat lieve, gastvrije landje in West-Europa zijn.

Finding Dutchland foto 2

Wie het leest, voelt onwillekeurig weer iets van nationale trots gloren. ‘Kijk, zo kun je het natuurlijk ook zien. Wat hebben we het hier allemaal goed geregeld.’

Maar dan sla je die krant weer open en valt de realiteit rauw op je dak. Je leest over halve zolen die raadsvergaderingen verstoren, over eencelligen die zingen dat ergens een piemel in moet. Of je loopt door de supermarkt… We kennen allemaal dat dreinende, verwende kind waar geen land mee te bezeilen is, of de moeder nou langs het snoep of de ijsjes loopt. Dat kind – dat echt alles al heeft – schreeuwt en stampvoet. Het hoogblonde ettertje – streng brilletje, matrozenhoedje, gooit met tomaten – heet Nederland. En het heeft heel snel een godverdommese draai om de oren nodig.

Generation Gap

20150224_201046

 

 

 

 

 

 

 

‘Tel jij af, Maud?’ Tik tik tik tik… Bammm!!! Daar trillen mijn oorvliezen, want ik sta pal naast het drumstel. Kan niet anders in de kleine repetitieruimte aan de Nijmeegse Patrijsstraat. Werk in uitvoering. De zoektocht naar de f. Plukken op de bas. Het keyboard dat een tapijtje legt op standje ‘strings’. Wanneer precies in te vallen na de bridge? Moet de gitaar niet wat meer laid back? En die snare, is die hier wel nodig?

Mijn jongste muziekprojectje voelt nog altijd wat onwennig. Het begon met een oproepje van collega-zzp’er én muziekvriend Martijn op Facebook. Of er iemand wilde zingen in een beginnend bandje waarin hijzelf gitaar speelde. Ik reageerde met een of andere bevestigende, maar nooit serieus bedoelde, kwinkslag. Want een late vijftiger, grijzend en kalend tegelijk, als frontman van een bandje… dat is toch geen gezicht? Daar hoort een jonge God te staan!

Mmjaah, daar zat misschien iets in maar daardoor moest ik me niet laten weerhouden, zo werd me van meerdere kanten op het hart gedrukt. Want je ben nooit te oud óm… Enzovoort. Dat lullige zetje was voor mij al excuus genoeg om toch nog een flinter te kunnen realiseren van de al bijna uitgedoofde ambitie om ooit nog eens de muziek te spelen waar mijn hart sneller van gaat kloppen.

En ach, het levert in ieder geval een mooie naam op. Generation Gap, een vondst van Martijn, dekt de lading volledig. Er zit ongeveer 38 jaar tussen de jongste van het stel, gitarist Niels, en mij. Martijn, toetsenist Joep, drumster Maud en bassist/docent Jeroen zijn dertigers en veertigers. De kloof uit zich ook in de repertoirekeuze. De ouderen onder ons suggereren wat belegener werkjes die Niels dan weer – begrijpelijkerwijs – als antiek beschouwt. Ai, moeizame onderhandelingen volgen…

Als de keus dan toch gemaakt is, zet Jeroen een paar dagen later de akkoordenschema’s op de mail, bijvoorbeeld van Racoon’s Brick by Brick, John Mayer’s Perfectly Lonely, Morrissey’s The More You Ignore Me of van Friends, geschreven door Martijn zelf. Voor mij zijn die schema’s abracadabra. Maar als zanger zing ik simpelweg de partijen die ik hoor in het origineel. Niets meer, wel minder. Want zingen in een bandje, met al dat elektrische geweld om je heen, is net even wat anders dan zingen in een koor. Geen dirigent die de begintoon geeft, geen andere tenoren waaraan ik me kan optrekken. Ik heb voortdurend het idee dat ik te laag zit en daardoor minder power heb. Zet ik hoger in, dan ga ik ‘knijpen’. Zing ik harder dan gaat de boel rondzingen.

Het gaat hier om een tien weken durend traject voor beginnende bandjes van muziekschool Muziek op Maat. Na een stuk of vijf, zes repetities nam ik mezelf al in stilte voor na die tien weken ook echt te stoppen. ‘Bandje spelen’ kon van de bucket list. Het was leuk en leerzaam maar toch niet helemaal mijn ding. Angelique, de voorzitter van mijn koor Voix Là, kon gerust zijn. Die informeerde af en toe bezorgd of ik dat bandje niet te leuk ging vinden, bang als ze was dat ik mijn biezen zou pakken met een gat in de tenorensectie van het koor tot gevolg. Neuh hoor, geen zorgen.

En dan komt er een mailtje van Jeroen binnen. “We zijn goed op weg met een aantal nummers. Ik heb het gevoel dat we het getroffen hebben met deze formatie, en dat we onderling een uitstekende sfeer hebben! Stoppen we of gaan we door?” Soms zou ik willen dat ik geen Weegschaal was.

Modder op de bek

Mijn eerste fiets was een blauw-wit afdankertje waarop mijn zus en broer ook gereden hadden. Ze hadden hem overleefd. Het was namelijk een doortrapper: remmen waren een ongekende luxe. Je moest dus niet te veel vaart maken want stoppen was een kwestie van je voeten aan de grond zetten. Ach, het kón allemaal want in het straatje waar ik groot werd, was nog slechts een enkele Gochomobiel, Simca of Renault Dauphine te vinden. Of een kever met zo’n uitklappend stokje aan de zijkant als richtingaanwijzer.

Ja, als kind wist ik nog iets van auto’s. Ik herinner me dat ik met de kinderen uit mijn buurt kentekens van auto’s in een schriftje noteerde. Ik geloof dat het de sport was om het meest recente nummerbord genoteerd te hebben, waarmee je aangetoond zou hebben dat jij het nieuwste van het nieuwste op autogebied gezien had. Mijn droommodel was overigens de Ford Cortina waarin meneer Ooms, op het tweede huis van de hoek, reed. Dát moest hem later worden. Helaas, het gebeurde niet. Zoals zich geen enkele auto, van welk merk dan ook, zou aandienen. Ik ben altijd fietser gebleven. Dóórsnee fietser. Puur functioneel omdat ik van A naar B moest en weer terug. Nooit supermodellen met tien versnellingen of racefietsen met carbonstuurtjes. En ook geen mountainbikes, ATB’s of hoe het spul allemaal mag heten. Marketingjongens noemen mijn huidige fiets een ‘city bike’ maar in wezen gaat het nog steeds om het type ‘rijwiel’ van Drees of Donner.

Het vreemde is dat juist automobilisten massaal van die flitsende dingetjes zijn gaan aanschaffen, misschien om de dagelijkse files af te reageren. Het begon ooit met bosjes vriendengroepen die in TI-Raleigh-shirtjes (later DAF Trucks, PDM of Rabobank) de wegen onveilig maakten op een wielrenfiets, zoals we die toen nog noemden. Ze ontdekten de Cauberg, Alpe D’Huez maar ook – en dat vond ik minder – het bos. Aanvankelijk was het daar vooral op zondag uitkijken. Dan gingen bosjes boekhouders en account managers zich uitleven. Ze doken ineens op vanuit de achtergrond met opgewonden stemmen. Ze riepen je toe dat je opzij en aan de kant moest. De Pieter-Jans en de Rodericks stoven je voorbij, lekker gek met het modder op de bek. Tegenwoordig moet je op alle dagen van de week, en op elk bospad, op je hoede zijn: de meneertjes duiken werkelijk overal op. Inmiddels zijn ze zich bewust van hun slechte naam, snappen ze dat ze iets aan beeldcorrectie moeten doen en roepen de meesten netjes ‘bedankt’ als ik hond Joop aan de kant van het pad laat staan. Dat ze de paden ruïneren en met hun profielbandjes de bochten uitdiepen zodat die bij een beetje regen veranderen in modderpoelen… ach, een kniesoor die daar op let.

Intussen is er een nieuw tijdperk aangebroken: dat van de e-bike. Nu is het helemaal oppassen geblazen. Het fietsgemak nodigt steeds meer mensen uit de auto te laten staan. Inmiddels ontstaan de files dus op de fietspaden. En als ze er niet zijn, wordt je aan alle kanten voorbijgesneld door oude vrouwtjes en broze opaatjes. ‘Djiezus, wat is dit?’ is nog altijd de eerste gedachte die bij me opkomt. Nu ken ik het fenomeen, maar wennen doet het niet. ‘Wátjes! Zo kan ik het ook’, roep ik dan. Van binnen. Niet echt natuurlijk. Want diep in mijn hart…

Warm bad

Toen ik als joch van een jaar of 10, 12 nog wel eens met mijn ouders ter kerke ging, vond ik de momenten waarop er gezongen werd nogal verwarrend. Stiekem vond ik een aantal liedjes best mooi, zeker de kerstnummers die tijdens de nachtmis de kerkelijke revue passeerden. Maar om nou mee te zingen met je moeder die trouwens een sprankelende sopraanstem had… ‘Da dee de nie als jonge’ zong Gerard van Maasakkers al. Je zat liever met een quasi-verveelde blik de goegemeente in je op te nemen, dan dat je ook maar één noot in de richting van het altaar en de Almachtige stuurde. Hoe indringend Hij me ook aankeek vanuit de apsis van de Theresiakerk, met die strenge ogen die je altijd volgden. Terwijl die drang tot zingen er diep van binnen best was.

De laatste 13, 14 jaar heb ik het ruimschoots goedgemaakt. Inmiddels ben ik toe aan mijn vijfde koor. Een van de voorgangers was een groot wereldmuziekkoor. De extraverte en gepassioneerde dirigent drukte er zijn stempel op als geen ander. Dat ik er niet meer zing, heeft alles te maken met een scheiding der geesten, een conflict dat niemand wilde maar dat escaleerde door… ja, door wat eigenlijk? In ieder geval trokken zo’n 15 mensen, waaronder ik, hun conclusie. Pijnlijk, want het was een koor dat met zijn repertoire en ideële instelling bijzondere projecten ondernam. Een jaar of twee geleden zag ik het voor het eerst na lange tijd weer optreden. Daarmee werd een streep gezet onder het verleden, precies op de plek waar de kiem voor het malle conflict ooit gelegd werd: de Nijmeegse Stadsschouwburg. Om zanger Bill Fay te citeren: ‘Every battleground is a place for sheep to graze’.

Het koor zong even passievol als destijds. Toch voelde ik geen enkele aandrang meer om terug te keren. Alles kent zijn tijd en die wordt nu besteed aan vocal group Voix Là in Beugen, daar waar niemand – in tegenstelling tot de stedelijke culturele elite – zijn wenkbrauwen optrekt als ik er mijn Brabants van stal haal. Al gebeurt dat meestal pas tijdens de nazit in ‘t Posthuis, het café naast de kerk en tegenover het dorpshuis waar we repeteren. Het gaat er in Beugen zo ontspannen aan toe als het klinkt. Nooit een wanklank. Tegelijkertijd steekt het koor zijn ambities niet onder stoelen of banken. Dit tijdperk mag dan bol staan van de sociale media, Voix Là krijgt de zaken verbijsterend eenvoudig voor elkaar dankzij banden van mens tot mens waar geen wifi of 4G aan te pas hoeft te komen. Banners? Vormgeving en drukken van een flyer? Een professionele fotoshoot? Een adverteerder om uit de kosten te komen? In deze regio, waarin de Maas de provincies Brabant en Limburg van elkaar scheidt én bindt, kennen we samen allemaal wel iemand die ons uit de brand helpt.

Het repertoire schiet alle kanten op: van Bach tot Bacharach, van Kate & Anna McGarrigle tot Bizet en van Fauré tot Friederichs, onze dirigent. Er zijn nummers bij die ik in mijn vrije tijd nooit zou beluisteren. Maar zelfs een liedje van BLØF kan ik hebben bij Voix Là. Als een samenklank op zijn plaats valt, als de solist van dienst – die voorheen misschien liever op de achtergrond bleef – boven zichzelf uit stijgt én als een slotakkoord het publiek vochtige ogen bezorgt… dan begrijp je misschien waarom ik elke week uitkijk naar een warm bad in Beugen.

Grijze mus

‘Marianne, ik ga naar boven. Voor de 367e keer proberen een Deurpost te schrijven…’ Met die woorden beklom ik gisteren de trap. Ik overdrijf natuurlijk: het waren hooguit twintig pogingen. Allemaal overleefden ze mijn kritische blik niet. Niet interessant. Te larmoyant. Wie zit hier op te wachten? Allemaal al eens gezegd. Te hoogdravend. Gelul. Als ik geen teksten voor opdrachtgevers kan schrijven, zit de deur kennelijk ook muurvast in de Deurpost.

Want dat is wat er aan de hand was. Ik kreeg er geen beweging meer in. Het gevaar dat jarenlang latent aanwezig was onder de oppervlakte van mijn werkend bestaan, openbaarde zich dit jaar in alle hevigheid. Ik was te afhankelijk van de inkomsten van één grote opdrachtgever, met een kleine kring van wisselende kleintjes daaromheen. En als die grote klant dan moet afhaken – niet omdat die dat graag wil, maar omdat hij simpelweg ophoudt te bestaan – heb je een probleem. Ik wist het, maar liet het begaan. Het ging zoals het ging en ik begon te geloven in mijn eigen onaantastbaarheid.

Sommige mensen reageerden verrast toen ze vernamen dat tegenover de opgedroogde inkomsten geen uitkering stond. ‘Tuurlijk niet, ik heb als zzp’er toch geen premie betaald? Dan heb ik er toch geen recht op?’ Zo moest ik mijn probleem ook nog eens uitleggen. Alsof het nog niet genoeg pijn deed.

Beelden van 1979 keerden terug op mijn netvlies. Toen, als net afgestudeerd onderwijzer, kwam ik ook niet aan de bak. Ik zwolg in de muziek van Joy Division, The Sound, Comsat Angels of The Clash… Bands die erin slaagden om het tijdperk nog wat zwarter te inkten. Alsof Dries van Agt en Margaret Thatcher het niet alleen af konden.

En nu dus terug bij af. Anderen van mijn leeftijd zijn hun carrière al aan het afronden. Schaapjes op het droge, een afbetaald huis, vrolijk beleggen en de aanschaf van een camper voor de voorgenomen trektocht door Europa, na ondertekening van de vertrekregeling. En ja hoor… daar komt Van Deursen dan nog eens aankakken. Moet op zijn 56e doodleuk opnieuw beginnen. Daar kiest hij dan ook nog eens een ideaal tijdvak voor uit. Ik ben in alles een laatbloeier – vakanties, studies, concertbezoek, de liefde – maar dit slaat alles.

Het probleem is dat ik mezelf moeilijk kan verkopen. Ik ging een kortstondig maar vruchteloos avontuur aan met een bureau dat 50-plussers aan de bak wil helpen. Het enige inzicht dat is blijven hangen is dat mijn generatie veel te bescheiden is. Jongere mensen hebben er geen enkele moeite mee om elke veer die ze op twitter in hun achterste gestoken krijgen, schaamteloos te retweeten. De gil van de pauw: niet om aan te horen maar hij trekt wel de aandacht en de mensen kijken onwillekeurig naar zijn verentooi. Dan kun je het shaken als grijze mus.

Vaak hoor je mensen zeggen dat die vogel aan het verdwijnen is. Maar in onze tuin klinkt elke dag het vrolijke gekwetter van een uitgelaten gezelschap mussen. Daar trek ik me dan maar aan op. Sinds de zomervakantie komt er wat meer werk op me af. Het is nog lang niet genoeg en er kan nog veel meer bij, zegt het voort. Maar toch. De grijze mus krijgt niemand klein.

Ongenode gast

In het voorjaar wandelden we op een mooie zondag met hond Joop naar een bekende uitspanning. We dachten er iets te gaan drinken op het idyllische terras. Maar er klopte iets niet. We werden bekeken met een blik van wat krijgen we nou? En jawel. ‘Menéér… dit is een beslóten feest, hoor’, bitste een dame die de indruk wekte de hele morgen voor de spiegel te hebben gestaan om haar jurk uit te zoeken. Ze was niet van plan daar zomaar wat voetvolk in spijkerbroek bij in de buurt te dulden. En al helemaal niet met een hond.

Het gevoel een ongenode gast te zijn, bekruipt me tegenwoordig wel vaker. Precies een jaar geleden hakte ik een knoop door: het moest uit zijn met mijn ernstige overgewicht. Nog los van de medische noodzaak (diabetes lag op de loer) werd een blik in de spiegel onverdraaglijk. De knopen dreigden van mijn overhemden te springen en het strikken van mijn schoenveters werd een dagelijkse krachtproef. Ik moest mijn latente boosheid – waarom kan de ene persoon zakken patat eten zonder een gram aan te komen, terwijl elke pinda mijn vetlaag doet aanzwellen? – maar eens omzetten in energie en aan het werk gaan.

Dus kwam er een diëtiste in beeld. Lonneke heeft er niet alleen voor gestudeerd, ze is ook een leuke meid bij wie je niet wil afgaan. Ik volgde braaf haar voedingsadviezen op zodat ik de weegmomenten bij haar zonder parelend zweet op het voorhoofd tegemoet kon zien. Thuis had ik voor dat wegen een absurde routine ontwikkeld. Plassen, scheren, navelpluis verwijderen, gebit flossen, wenkbrauwen bijknippen, neus snuiten, nagels knippen, neusharen trimmen… niets werd aan het toeval overgelaten. Ik zou en moest zo licht mogelijk op die weegschaal stappen. En misschien vergeet ik nog wel een vrolijke activiteit te noemen die ook weer wat cc’s, eh, grammen, kan schelen.

We zijn 12 maanden verder en 31 kilo lichter. Mensen die me lang niet gezien hebben, aarzelen soms om er iets over te zeggen, voor het geval ik iets onder de leden mocht hebben. ‘Goh, eh Jan… jeetje… bewúst?’ Ja dus, bewust. Cholesterolgehalte, glucose, bloeddruk… al die waarden zijn nu (afkloppen) dik in orde. Hardlopen is weer een vast onderdeel van mijn leven dankzij een sportpodoloog die mijn chronisch ontstoken achillespees wist aan te pakken met een paar steunzolen van heb ik jou daar. Drie acupunctuurbehandelingen deden de rest. En zo is kleren kopen niet langer de hel op aarde en een blik in de spiegel weer enigszins te harden. Dat ik me fysiek fitter dan ooit voel, is natuurlijk de grootste winst.

Maar dat ongemakkelijke gevoel blijft. Alsof je er – net als op dat terras – toch niet echt bij hoort. Ik voel me soms betrapt: met een of andere truc heb ik me in de klasse van de happy few gewurmd. Ja, zo zag ik jullie – slankerds – altijd: de happy few. De angst dat ik terugjojo naar mijn natuurlijke verschijningsvorm, is groot. Daarom… besloten of niet, mag ik nog even rondlopen op jullie feestje? Nee, een pilsje hoef ik niet. En die bitterballen laat ik ook maar weer aan me voorbijgaan. Afvallen, het blijft een vorm van masochisme.