Bullshit

Vooruit. Ik doe het nog eens, dacht ik. Ik zal me weer eens laten toespreken door iemand die denkt te weten hoe ik meer opdrachtgevers kan aanboren en meer omzet kan genereren. De aanmelding voor het webinar was nog niet weg of er kwam een autoreply binnen met het linkje dat ik de volgende dag om precies 12.00 uur zou moeten aanklikken. Ik kende de spreekster vaag van een durf-te-vragensessie, toen dat fenomeen nog volop in opkomst was. De deeleconomie diende zich aan. We gingen elkaar helpen. Met kennis, inzicht en materie, ja dat ook. En natúúrlijk via social media. De mevrouw had er een boek over geschreven in een tijd waarin de term fake news nog niet bestond en we nog dachten dat Twitter en Facebook de mensheid zouden redden. En ze had recht van spreken. Was ze immers niet bij de eerste 500 LinkedIn’ers van Nederland? Nou dan!

De mevrouw had zich zo’n kleine tien jaar later ontwikkeld tot, ja, tot wat? Want hoe noemen ze zich wel niet? Zelfstandig professional, jazeker. Maar ook: happy camper, barefoot bohemian of – in haar geval – vrijheidsondernemer. Toe maar. Slechts 4 maanden per jaar werkt ze keihard, om de rest van het jaar weliswaar niet te lanterfanten maar wel lekker ontspannen te investeren in zichzelf, een IJslands paard te berijden of marketingexperts around the globe te ontmoeten tijdens congressen of TED-talks. Ja, dat klinkt nu allemaal wel heel mooi, maar neem van haar aan… het was een leerproces hoor. Poeh!!! Haar man was er bijna onderdoor gegaan met die ambities van haar. Altijd maar door hè? Stom. Krijg je een keer op je bord. Er ging – wilde ze dus maar zeggen – een stevige les aan vooraf. Het vroeg om bewustwording. Bij jezelf komen. En nagaan: waar word ik nou echt blij van? En om het vinden van dat punt waarop je de wereld brutaalweg laat weten: schijt! Ik doe het op mijn manier, al verklaart iedereen me voor gek.

Dit soort rare vogels fladdert heel graag rond in het land der zzp’ers. Ze prikkelen, ze teasen. Ben ik niet mooi? Heb ik geen prachtige kleuren? Vang me dan! Oeps, dat was bijna maar je moet er wel wat voor doen. Kom, uit je comfort zone. Want anders gebeurt er niets, dat weet jij ook. Of blijf je liever hangen in uurtje-factuurtje en blijf je een slaaf van jezelf? Focus liever! Kies je strategie. Ga voor een écht verdienmodel (trouwens, in dit boek heb ik er 50 op een rij gezet, kost nu maar 16 euro en – niet om mezelf op de borst te kloppen hoor, of eigenlijk wel haha, maar dus echt een must). Creëer waarde! Stoot af! Besteed uit! Ga voor het avontuur. Met toppen maar onvermijdelijk ook met dalen. Wees niet bang voor die negen mislukkingen. Vecht! Because fear is your biggest enemy. En dus… nummer tien, dat wordt ‘m, baby! En dan… dan kun je echt van jezelf gaan houden.

En dan nu… (tromgeroffel)… wil je weten hoe we dit allemaal voor elkaar gaan krijgen? Ga met mij mee op mijn cruise. Op de boot vertel ik er alles over. Compleet met roadmap to freedom. Oh, en tel effe drieduuzendzeshonderddertig euro neer. Special price for you my friend.

De bullshit. Echt, de búllshit!

Het echte dorp

Een tijdje geleden las ik een artikel over de vermeende arrogantie van Amsterdammers. Ze kijken nogal neer op ons, de buitengewesten. Althans, dat is het beeld dat van de Amsterdammer bestaat. Het is nu eens onderzocht. En wat denk je? De Amsterdammer is arrogant. Ter verdediging: hij kan het niet helpen. Want als je zo verwend bent met je musea, theaters, toprestaurants, concertzalen, filmhuizen, debatcentra en nu eindelijk ook een Johan Cruyff Arena (waarin een stelletje steenrijke godenzonen overigens geen deuk in een pakje boter meer speelt)… probeer dan maar eens te geloven dat je niet in het centrum van de wereld woont.

Ik kan niet ontkennen dat het concept van hoofdstedelijke arrogantie ook in mijn hoofd bestaat. Het gekke is dat de Amsterdammers die ik persoonlijk ken dat beeld niet voeden. Ze staan open voor wat zich in mijn omgeving afspeelt, genieten van onze gezamenlijke wandelingen op deze of gene heide, zijn geïnteresseerd in de plaatselijke politiek of stellen vragen over de woningbouw in mijn dorp.

Maar goed, stedelijke arrogantie komt voor op elke schaal. Waar Nijmegen vanuit Amsterdams perspectief niets meer is dan een – misschien interessante, maar toch – provinciestad, kijken Nijmegenaren op hun beurt vaak meewarig naar de omringende dorpen. De cultuurmaatschappelijke voorhoede is namelijk nogal vol van de eigen stad, waarin ik trouwens ook graag vertoef. Maar de eigenliefde slaat hier en daar door. Zo wordt er stevig getamboereerd op het Romeinse verleden en de status als oudste stad van Nederland die daaruit zou voortvloeien. Dat gaat gepaard met een groot gevoel van trots.

Nu is trots een begrip dat zwaar aan inflatie onderhevig is. Het kleindochtertje dat het strikdiploma haalt, de pup die zijn drolletje voor het eerst buiten draait, achterneefje dat een zelfgemaakte tekening in de handen van Maxima drukt… Op Facebook zijn we tegenwoordig om alles supertrots. Sinds Rita Verdonk met trots aan de haal ging, kan ik het woordje nauwelijks nog aanhoren. En al helemaal niet als het samengaat met chauvinisme, patriotisme, nationalisme en om het even welk ander geografisch bepaald superioriteitsgevoel. Catalonië bewijst maar weer eens tot welke gekte dat kan leiden. Trots… dat ben je op je moeder of je buurman als die boven zichzelf zijn uitgestegen. Of omdat er een leven is gered. Maar toch niet omdat je toevallig op die ene plek geboren bent en niet op die andere? Of omdat je huis hier staat en niet daar?

Waarom moet een Nijmegenaar zich op de borst slaan omdat hij toevallig woont op een plek waar een dronken Romein tweeduizend jaar geleden een paal met het bordje Noviomagus de bodem in jaste en besloot dat dit een stad moest worden? Onzin! Het is trouwens net zulke onzin om je schuldig te voelen over het feit dat jouw stad een deel van het eigen historisch erfgoed verkwanseld heeft (de Valkhofburcht en de vestingmuren) of over de wetenschap dat Nijmegen zichzelf een jaar of vijftien geleden het allerlelijkste stationsplein van Nederland cadeau heeft gedaan.

De komst van de Spiegelwaal en het bijbehorende rivierpark met zijn strandjes is een fraai staaltje landschapskunst aan de noordkant van de stad. Zeker. Maar om je vervolgens te tooien met de krankjoreme titel Summer Capital of Holland… Ik moet er smakelijk om lachen. Het zomerse festival De Kaaij dan? Het is heel hip om daar in een tochtgat onder de oude Waalbrug op een wankel bistrostoeltje een mojito weg te nippen bij een snel koud wordende samosa op een vettig kartonnetje, luisterend naar het wegwaaiende geluid van een sympathiek maar niet zo heel goed strijkje. Maar wat er de lol van is?

Als bewoner van de periferie moet ik altijd grinniken als ik een Nijmegenaar voorstel om bij mijn koortje te komen zingen. Pure voorpret want ik weet precies wat de reactie wordt. Aanvankelijke nieuwsgierigheid smelt direct weg als ze horen waar dat koor actief is. In Beugen. Wáár? In Beugen! Je zíet ze denken: ‘mijn hemel, ik ga toch niet naar een boerengát om wat liedjes te zingen in een café naast een fokking kerk?’ Waarna ik vriendelijk maar beslist bedankt wordt en te horen krijg dat ze daarvoor echt niet vanuit de grote stad hoeven af te dalen naar het platteland.

Maar als ik een paar dagen later op een Nijmeegs verjaardagsfeestje de roddels en achterklap aanhoor met nieuwtjes uit de ons-kent-onskringetjes van wethouders, journalisten, ondernemers, theaterdirecteuren en vastgoedbobo’s denk ik: wat is hier nou het échte dorp? Ik begrijp die Amsterdammers wel.