Vruchtbare grond

In ons bos, bij het bankje met de prullenbak, zit een vertrouwde verschijning in zijn scootmobiel. Joop stormt op hem af. Want hij weet: brókjes!

Henk – eerlijk gezegd weet ik niet hoe hij heet, maar zo noem ik hem altijd maar – heeft zijn vaste klanten. Iedere hond die hem daar op zijn vaste standplaats passeert, krijgt iets toegestopt. Tenzij het baasje moeilijk doet. ‘Die héb je hoor, van die zeikwijven die niet willen dat hun hondje iets krijgt. Nee, want dan krijgt Beautje last van dit of van dat. Dan lopen ze in een boog om me heen.’ Ik vertel het Henk maar niet, maar mij bekruipt de gedachte dat de walm van nicotine en bier – die Henk nogal eens met zich meedraagt – ook een oorzaak van die boog kan zijn.

Hij draagt de onvermijdelijke honkbalpet en zijn al even onafscheidelijke mouwloze spijkerjack dat de tatoeages op zijn armen bestaansrecht geeft. Teksten zijn het vooral, maar ik ben altijd wat beschroomd om ze eens uitgebreid te gaan staan lezen als Henk daar weer zit. Boven zijn grijze hangsnor – model Lemmy – is de zonnebril prominent aanwezig. Die heeft vandaag een belangrijke functie.

Henk staat met de neus van zijn voertuig al in de richting van het dorp verderop, waar hij woont. Dat betekent dat hij het bezoek aan míjn dorp al achter de rug heeft. En jawel. ‘Ik kom net van de dierenarts. Kijk, daar ligt ie.’ Hij wijst op een dichtgevouwen kartonnen doosje dat beneden in de scootmobiel tussen zijn voeten staat, daar waar je eerder een gaspedaal zou verwachten. Hij ziet mijn vragende blik en voegt er al snel aan toe: ‘Mijn rátje. Eergisteren was er nog niks aan de hand, en vandaag had ie me toch een gezwel op zijn pootje… zó’n joekel. De dierenarts heeft hem onderzocht en vond er onder zijn keeltje nog een. Ja, dan weet je het wel. Ik zeg tegen haar: geef hem maar een spuitje. Kreeg ik nog korting ook, omdat ik er al zoveel had laten inslapen. Komt me wel goed uit hoor, ik heb ook alleen maar wao.’

Henk vertelt hoe zijn ratje zich elke avond om zeven uur bij hem meldde, als hij thuis op de bank voor de tv ging zitten. ‘Dat wist ie precies, dan begon… Kom, hoe heette dat nou? Man Bijt Hond! En dan liep hij van mijn hand over mijn arm naar mijn schouder en ging hij in mijn nek liggen slapen. En wat denk je dat er net gebeurde? Hij krijgt dat spuitje en loopt op precies dezelfde manier over mijn arm naar mijn nek. En daar ging hij weer tegen me aan liggen. Maar ja, nu werd ie niet meer wakker.’

Zijn stem breekt. ‘Je hebt het er moeilijk mee, hè?’ Mijn vraag is behoorlijk knullig en overbodig. Henk begint hevig te knikken. ‘Ik heb niet voor niks mijn zonnebril op.’ Hij heeft de zin nog niet uitgesproken of hij neemt hem af en gunt me een blik op zijn rode, vochtige ogen. Heel even dan.

‘Ik ga hem maar begraven in de tuin. In de hoek waar ik ze allemaal neerleg. Laatst nog een kip en een van mijn twee pitbulls. Dat was me er eentje, hoor. Er hoefde niemand een vinger naar me uit te steken, want hij zou ze gevat hebben. Maar ja, die is er dus ook al niet meer. Trouwens, de planten in die hoek doen het ontzettend goed. Vruchtbare grond, hè? Dat dan weer wel.’