Warm bad

Toen ik als joch van een jaar of 10, 12 nog wel eens met mijn ouders ter kerke ging, vond ik de momenten waarop er gezongen werd nogal verwarrend. Stiekem vond ik een aantal liedjes best mooi, zeker de kerstnummers die tijdens de nachtmis de kerkelijke revue passeerden. Maar om nou mee te zingen met je moeder die trouwens een sprankelende sopraanstem had… ‘Da dee de nie als jonge’ zong Gerard van Maasakkers al. Je zat liever met een quasi-verveelde blik de goegemeente in je op te nemen, dan dat je ook maar één noot in de richting van het altaar en de Almachtige stuurde. Hoe indringend Hij me ook aankeek vanuit de apsis van de Theresiakerk, met die strenge ogen die je altijd volgden. Terwijl die drang tot zingen er diep van binnen best was.

De laatste 13, 14 jaar heb ik het ruimschoots goedgemaakt. Inmiddels ben ik toe aan mijn vijfde koor. Een van de voorgangers was een groot wereldmuziekkoor. De extraverte en gepassioneerde dirigent drukte er zijn stempel op als geen ander. Dat ik er niet meer zing, heeft alles te maken met een scheiding der geesten, een conflict dat niemand wilde maar dat escaleerde door… ja, door wat eigenlijk? In ieder geval trokken zo’n 15 mensen, waaronder ik, hun conclusie. Pijnlijk, want het was een koor dat met zijn repertoire en ideële instelling bijzondere projecten ondernam. Een jaar of twee geleden zag ik het voor het eerst na lange tijd weer optreden. Daarmee werd een streep gezet onder het verleden, precies op de plek waar de kiem voor het malle conflict ooit gelegd werd: de Nijmeegse Stadsschouwburg. Om zanger Bill Fay te citeren: ‘Every battleground is a place for sheep to graze’.

Het koor zong even passievol als destijds. Toch voelde ik geen enkele aandrang meer om terug te keren. Alles kent zijn tijd en die wordt nu besteed aan vocal group Voix Là in Beugen, daar waar niemand – in tegenstelling tot de stedelijke culturele elite – zijn wenkbrauwen optrekt als ik er mijn Brabants van stal haal. Al gebeurt dat meestal pas tijdens de nazit in ‘t Posthuis, het café naast de kerk en tegenover het dorpshuis waar we repeteren. Het gaat er in Beugen zo ontspannen aan toe als het klinkt. Nooit een wanklank. Tegelijkertijd steekt het koor zijn ambities niet onder stoelen of banken. Dit tijdperk mag dan bol staan van de sociale media, Voix Là krijgt de zaken verbijsterend eenvoudig voor elkaar dankzij banden van mens tot mens waar geen wifi of 4G aan te pas hoeft te komen. Banners? Vormgeving en drukken van een flyer? Een professionele fotoshoot? Een adverteerder om uit de kosten te komen? In deze regio, waarin de Maas de provincies Brabant en Limburg van elkaar scheidt én bindt, kennen we samen allemaal wel iemand die ons uit de brand helpt.

Het repertoire schiet alle kanten op: van Bach tot Bacharach, van Kate & Anna McGarrigle tot Bizet en van Fauré tot Friederichs, onze dirigent. Er zijn nummers bij die ik in mijn vrije tijd nooit zou beluisteren. Maar zelfs een liedje van BLØF kan ik hebben bij Voix Là. Als een samenklank op zijn plaats valt, als de solist van dienst – die voorheen misschien liever op de achtergrond bleef – boven zichzelf uit stijgt én als een slotakkoord het publiek vochtige ogen bezorgt… dan begrijp je misschien waarom ik elke week uitkijk naar een warm bad in Beugen.

Grijze mus

‘Marianne, ik ga naar boven. Voor de 367e keer proberen een Deurpost te schrijven…’ Met die woorden beklom ik gisteren de trap. Ik overdrijf natuurlijk: het waren hooguit twintig pogingen. Allemaal overleefden ze mijn kritische blik niet. Niet interessant. Te larmoyant. Wie zit hier op te wachten? Allemaal al eens gezegd. Te hoogdravend. Gelul. Als ik geen teksten voor opdrachtgevers kan schrijven, zit de deur kennelijk ook muurvast in de Deurpost.

Want dat is wat er aan de hand was. Ik kreeg er geen beweging meer in. Het gevaar dat jarenlang latent aanwezig was onder de oppervlakte van mijn werkend bestaan, openbaarde zich dit jaar in alle hevigheid. Ik was te afhankelijk van de inkomsten van één grote opdrachtgever, met een kleine kring van wisselende kleintjes daaromheen. En als die grote klant dan moet afhaken – niet omdat die dat graag wil, maar omdat hij simpelweg ophoudt te bestaan – heb je een probleem. Ik wist het, maar liet het begaan. Het ging zoals het ging en ik begon te geloven in mijn eigen onaantastbaarheid.

Sommige mensen reageerden verrast toen ze vernamen dat tegenover de opgedroogde inkomsten geen uitkering stond. ‘Tuurlijk niet, ik heb als zzp’er toch geen premie betaald? Dan heb ik er toch geen recht op?’ Zo moest ik mijn probleem ook nog eens uitleggen. Alsof het nog niet genoeg pijn deed.

Beelden van 1979 keerden terug op mijn netvlies. Toen, als net afgestudeerd onderwijzer, kwam ik ook niet aan de bak. Ik zwolg in de muziek van Joy Division, The Sound, Comsat Angels of The Clash… Bands die erin slaagden om het tijdperk nog wat zwarter te inkten. Alsof Dries van Agt en Margaret Thatcher het niet alleen af konden.

En nu dus terug bij af. Anderen van mijn leeftijd zijn hun carrière al aan het afronden. Schaapjes op het droge, een afbetaald huis, vrolijk beleggen en de aanschaf van een camper voor de voorgenomen trektocht door Europa, na ondertekening van de vertrekregeling. En ja hoor… daar komt Van Deursen dan nog eens aankakken. Moet op zijn 56e doodleuk opnieuw beginnen. Daar kiest hij dan ook nog eens een ideaal tijdvak voor uit. Ik ben in alles een laatbloeier – vakanties, studies, concertbezoek, de liefde – maar dit slaat alles.

Het probleem is dat ik mezelf moeilijk kan verkopen. Ik ging een kortstondig maar vruchteloos avontuur aan met een bureau dat 50-plussers aan de bak wil helpen. Het enige inzicht dat is blijven hangen is dat mijn generatie veel te bescheiden is. Jongere mensen hebben er geen enkele moeite mee om elke veer die ze op twitter in hun achterste gestoken krijgen, schaamteloos te retweeten. De gil van de pauw: niet om aan te horen maar hij trekt wel de aandacht en de mensen kijken onwillekeurig naar zijn verentooi. Dan kun je het shaken als grijze mus.

Vaak hoor je mensen zeggen dat die vogel aan het verdwijnen is. Maar in onze tuin klinkt elke dag het vrolijke gekwetter van een uitgelaten gezelschap mussen. Daar trek ik me dan maar aan op. Sinds de zomervakantie komt er wat meer werk op me af. Het is nog lang niet genoeg en er kan nog veel meer bij, zegt het voort. Maar toch. De grijze mus krijgt niemand klein.