Vader

6 oktober 1975. Een maandagochtend. De dag ervoor zullen we mijn 18e verjaardag hebben gevierd, en twee dagen daar weer voor zíjn verjaardag. Of misschien vierden we het wel samen. Ik kan me er niets van herinneren. Wat ik wel onthouden heb, is dat mijn vader die ochtend verging van de pijn. Ergens in de buik, of de lies. Het was heftig, dat was duidelijk. Hij zou die dag naar de dokter gaan, waarschijnlijk was het iets met nierstenen. ‘Komt wel goed. Ga jij maar gerust naar school.’ En zo maakte ik die dag weer mijn dagelijkse gang naar Canossa, het Joris. De scholengemeenschap aan de andere kant van de stad waarvan ik me altijd ben blijven afvragen waarom ik die in hemelsnaam had uitgekozen. En waarom ik daar zes lange jaren heb doorgebracht.

Geen enkele dag voelde goed op die school maar deze al helemaal niet. Onrust. Eenmaal thuis, bleek mijn vader te zijn opgenomen in het ziekenhuis. Hij is nooit meer thuisgekomen. Tweeënhalve maand later konden we hem begraven. Dat er geen redden aan was, besefte ik pas na een aantal weken. Niet dat het me verteld werd. Ik moest het zelf afleiden uit zinnen die ik toevallig opving, en die op gedempte toon werden uitgesproken. Mijn moeder praatte met mijn oudere zus en broer. Hoe het nou moest met een of andere bankrekening. Wat er allemaal geregeld moest worden. Toen pas drong het onvermijdelijke tot me door. Een klassieke scène volgde: in tranen uitbarsten, de trap opvliegen en met je gezicht in het hoofdkussen van je bed belanden. Het zal onvermogen geweest zijn van mijn moeder, dat ze de onheilstijding niet rechtstreeks kon overbrengen, en geen onwil. Of… ergens ook weer wél, natuurlijk.

De bijna 38 jaren die verstreken, hebben grote gaten geschoten in de herinneringen aan mijn vader. Juist van de meest alledaagse dingen heb ik geen beeld meer. Hoe hij zijn neus snoot. Of hoe hij de kolen uit de schuur haalde. Floot hij wel eens een deuntje? Deed hij wel eens boodschappen? Wat smeerde hij op zijn brood? Las hij het Eindhovens Dagblad ‘s ochtends of ‘s avonds? Allemaal weggezonken in de mist van de tijd. Mijn vader werkte in de officiersmess van vliegbasis Welschap. Daar diende hij hoge militairen hun diner op. Zijn kleren roken naar saté, of naar spruiten, kalfsragout of… vul maar in. Bij ónze warme maaltijd was hij er zelden bij. Rond een uur of zeven, half acht was zijn werkdag voorbij. Het beeld van zijn thuiskomst houdt wel stand. Sterker… het is het eerste dat me te binnen schiet als iemand naar mijn vader vraagt. Dit is het.

Een mooie lenteavond in Strijp. Ik ben een jaar of elf en met de kinderen uit de buurt speel ik op straat: verstoppertje, boompje verwisselen, liefdesbal of 1-2-3-4-5 (géén hattekatteboerevangst, dat is voorbehouden aan de speelplaats van de jongensschool). Mijn vader komt op zijn fiets ons Roosendaalstraatje in rijden, vanaf de Bergen op Zoomstraat uit de richting Zeelst. Hij stapt al snel van zijn fiets om achterom, via ‘het gangetje’, achter de simpele rijtjeshuizen door naar de schuur te lopen. Even voordat hij uit zicht verdwijnt, stopt hij. Hij kijkt de straat in om te zien welk spel er gespeeld wordt, en door wie. Zodra hij me ontwaart, zwaait hij met een tevreden lach op het gelaat. ‘Speel lekker door, we zien elkaar zo.’ Zoiets straalt hij uit. Ons pap is thuis. Er is niets aan de hand.