Nanco

♪♫. Uit mijn broekzak klinkt gesmoord het WhatsApp-riedeltje. Bericht van vriend Johan: ‘Nanco heeft vanochtend een kerstliedje gemaakt’, gevolgd door een link naar een bestand. Al snel schalt ‘Rijden op de arreslee’ door de kamer. Niet toevallig is het een bewerking van ‘Wespen op de appeltaart‘, een van de mooiste nummers van Spinvis, al jarenlang een muzikale held van Johan’s zoon. Het is een grondige bewerking: niet alleen heeft Nanco een alternatieve kersttekst geschreven, ook de muziek heeft hij met een midi-editor (vraag me niet wat het is) en met hulp van wat samples opnieuw ingespeeld.

Nanco heeft een aandoening in het autistisch spectrum. Zo heet dat tegenwoordig. Een aandoening van het soort waar onze keurig aangeharkte samenleving zich geen raad mee weet. Nanco valt in de wereld van zorgsystemen en welzijnsstructuren al jarenlang tussen de wal en het schip. Onderwijs en zorg… hoezeer er ook gezocht is, en hoe vaak het ook geprobeerd is… er is geen potje te vinden waarop Nanco’s dekseltje écht past. Hij kon altijd terecht bij uiteenlopende (meng)vormen van dagopvang en onderwijs waar lieve mensen zich met veel inzet om hem bekommerden. Maar altijd onder de voorwaarde dat het niet moest botsen met de zorg voor andere kinderen. Want dan…

Nanco is dit jaar 18 geworden. Jarenlang was die leeftijd een stip aan de horizon, maar niet een waar hij naar uitkeek. Je scheen dan ‘volwassen’ te worden en zou je moeten klaarmaken om iets in de boze buitenwereld te gaan doen. Of liever, de gevaarlijke buitenwereld. Want die zit vol bedreigingen. Hij zou het liefdevolle, warme huis waarin hij woont én de thuishaven in zijn hoofd – veilig en volledig naar eigen inzicht in te richten – moeten verlaten. Hoe? Nanco zou het niet weten. Maar – en dat is het pijnlijke – wij, de samenleving, ook niet. We hebben allerlei regels opgesteld over werk, arbeidsdeelname en geld verdienen, maar we kijken het liefst de andere kant op als er mensen zijn die vanwege een beperking niet aan die regels kunnen voldoen. Dan ontlopen we onze verantwoordelijkheden. We worden collectief nerveus van alles wat niet in hokjes te vangen is.

Een paar maanden geleden werd het Nanco te veel. Het pantser van zijn fantasiewereld was niet sterk genoeg meer om de chaos van daarbuiten te weren. Hij raakte in paniek, was verward en schoot af en toe in een psychose. Zelfs de muziek, zijn muziek, bood geen soelaas meer. Eindeloos pielend met soundbites, samples en elektronica in audioprogramma’s waarvan ik de naam niet ken, moet hij al honderd composities op zijn naam hebben staan. Dat begon als 11-jarige met ‘Een prikje’ waarin hij zijn angst voor een injectie bij de dokter vakkundig wegzong. Spinvis (Eric de Jong) is bij dat alles een inspiratiebron van jewelste. Die knutselt zijn juweeltjes immers ook op een zolderkamertje in elkaar. Maar goed, nu was de koek even op bij Nanco. De róze koek.

‘Wespen op de appeltaart’ is bij Marianne en mij al jarenlang een kraker. De zin ‘Ik hoop maar dat er roze koeken zijn’ is een running gag geworden als we naar een feestje gaan. Het liedje klinkt heel vrolijk, maar heeft een serieuze ondertoon. En in de hoofdpersoon kan Nanco zich waarschijnlijk heel goed herkennen. Ook die zorgt voor meer verwarring in zijn omgeving dan dat hij zelf ervaart. De passage ‘Ik weet nog steeds niet (…) hoe het nou verder moet met mij’ is in Nanco’s versie overeind gebleven. Om die regel uit zijn mond te horen… de ontroering was groot. Nanco kon, mede dankzij oneindig veel steun en geduld van de mensen om hem heen, terugvechten. ‘Hij ís er weer’ schreef Johan nog. Mooi kerstcadeau of niet?

De 10 van ’12

Dit zijn ze dan, mijn 10 van ’12. De lijst is belegen, ik geef het onmiddellijk toe. Van de andere kant: belegen kaas is wel het lekkerst…

2012 was voor mij een vlak muziekjaar. Maar ik heb dan ook veel gemist. En albums die overal juichend onthaald werden, brachten bij mij slechts een licht schouderophalen teweeg. The XX, Django Django, Alt-J of Tame Impala… ‘Wel aardig’ dacht ik hooguit. De behoefte aan eenvoud groeit. Gewoon, liedjes. Met pakkende melodieën, fraaie zangpartijen en meezingbaarheid. Mijn nummer 1 voldoet daar helemaal aan.

 

  1. Pray To Be Free – James Levy & The Blood Red Rose. Een album dat herinneringen oproept aan de samenzang van Nancy & Lee. We horen James Levy, een bariton als  chocolade, en Allison Pierce, een alt als slagroom. Kortom: het muzikale equivalent van de enige echte Bossche Bol van Jan de Groot. Yummie. Prijsnummer: Hung To Dry.
  2. One Day I’m Going To Soar – Dexys. Kevin Rowland komt eindelijk de 21e eeuw binnengelopen met wat nu Dexys heet. Het album is heerlijk en hilarisch. We horen een onzekere man met bindingsangst. Én met passie. Prijsnummer: She Got A Wiggle.
  3. Life Is People – Bill Fay. Prachtige trage ballads van een man die in de jaren zeventig zijn enige platen uitbracht, in de vergetelheid raakte en – onder meer dankzij Wilco – een onwaarschijnlijke comeback maakte. Prijsnummer: Never Ending Happening.
  4. Gunder – Daniël Lohues. Een liefde die geen liefde bleek, vluchtige ontmoetingen die een onuitwisbare indruk maken, de dood en de troost van je moeder. ‘Ach mama, wat ben ik ja bange, mag ik in plaats van een keersie, een pleister, een smak op de wange?’ Prijsnummer: Komp wel goed.
  5. Jake Bugg – Jake Bugg. Snotjochie ademt de oude garde in de nek en pompt wat vers bloed in deze oude lijst. Lekker brutale singer-songwriter, vroeg-Dylanesk van tijd tot tijd. Prijsnummer: Broken.
  6. Come Of Age – The Vaccines. Gaan vrolijk door op de ingeslagen weg met onweerstaanbare popsongs. Prijsnummer: Teenage Icon.
  7. Out Of The Game – Rufus Wainwright. Zijn stem wordt leniger en leniger. Rufus is op weg een grote crooner te worden. Prijsnummer: Perfect Man.
  8. Wrecking Ball – Bruce Springsteen. Mijn Man of the Year rust nooit op zijn lauweren en blijft altijd relevant. Het prijsnummer, al een jaar of veertien bekend van het podium, is nu eindelijk ook ‘op de plaat’ gezet. Prijsnummer: Land Of Hope And Dreams.
  9. That’s Why God Made The Radio – The Beach Boys. Een optreden bij Jools Holland deed pijn aan de oren, maar op dit album was die kraakheldere zang er gewoon weer. Geen idee hoe ze het geflikt hebben. Maakt niet uit, het album ís er. Prijsnummer: That’s Why God Made The Radio.
  10. La Futura – ZZ Top. Vuige bluesrock van drie veteranen. Met natuurlijk een briljante ballad erbij. Belegen? Ja, en lekker dus. Prijsnummer: Chartreuse.

Lekker alle albums beluisteren? Ze staan in deze Spotify-lijst.

 

Tippi

Na afloop van een concertbezoek in Amsterdam zorgde een bak treinellende ervoor dat we uiteindelijk om tien voor half drie in de nacht de sleutel in de voordeur konden steken. Ik zal u de details van onze reis besparen.

Onze Joop, die de avond had doorgebracht bij zijn grote vriendin Lidl (verderop in onze straat), was alweer thuisgebracht en had het fort nog bewaakt tot onze thuiskomst. Om hem te belonen, maakte ik nog een nachtelijk rondje met hem. Op dat tijdstip waan je je de enige op aarde. Des te groter de schok als iemand hetzelfde idee als jij gehad blijkt te hebben en ook nog buiten loopt met zijn viervoeter: Tippi.

De naam doet vermoeden dat het om een schoothondje gaat maar het is een behoorlijk uit de kluiten gewassen herdershond. Hij roept al jaren onrust bij mij op. Dat stamt uit de tijd van onze vorige hond, Boomer. Tippi, die nooit aangelijnd was en geen gezag erkende van wie dan ook, was in de kracht van zijn leven en schiep er een sardonisch genoegen in om Boomer het leven zuur te maken. Als we elkaar tegenkwamen, zakte hij door de poten en begon als een poema in een angstaanjagend traag tempo op zijn prooi, onze grote grijze geitenbreier, af te sluipen. Het was wachten op de uitval. Die kwam altijd. Met veel gegrom schoot hij ineens met opengesperde bek op ons af. Het bleef bij een toneelstukje. Eenmaal gepasseerd, dacht je hem tegen zijn baas te horen zeggen: ‘Hè, hè, dat was weer lachen’.

Maar naarmate Boomer ouder en strammer werd (ik heb daar al eens een Deurpost aan gewijd) begon de kwelgeest bloed te ruiken en werden de uitvallen steeds minder onschuldig. Tippi begon écht te happen en het was zaak tussen ‘het beest’ en Boomer in te staan om ongelukken te voorkomen.

De jaren verstreken. Boomer ging, Joop kwam, Tippi bleef. Ik hield mijn hart vast toen we hem voor het eerst weer tegenkwamen. Moest ik voor Joop ook een verdedigingsstrategie bedenken tegen ‘das Ungeheuer’? Nee. Waar ik de neiging had om Joop zo ver mogelijk van Tippi weg te houden, stapte hij zelf onbevangen op het dier af, in zalige onwetendheid van de voorgeschiedenis. Binnen de kortste keren stonden ze rondjes om elkaar te draaien en voerden ze een nasale inspectie op elkaar uit van het soort dat mensen altijd wat gegeneerd naar elkaar doet kijken. Alleen hield de baas van Tippi zich – zoals altijd – afzijdig. Dat was ook steeds een deel van het probleem geweest.

Goed, die nacht. In het duister zag ik hoe het voormalige beige gevaar zijn poten moeizaam wankelend voortsleepte over de klinkers van de straat. Hij is nu zelf oud en stram. Heel even overwoog ik om Tippi iets in zijn oor te sissen: ‘Hoe zou je het vinden als Joop je nou eens te grazen nam?’ Om meteen de onzinnigheid in te zien van wraakgevoelens ten opzichte van een dier. Bovendien: Joop vindt Tippi leuk. Geen kans. Ik ging hem toch maar weer uit de weg en stak over. Gekwelde ogen volgden Joop, het lichaam kon dat niet meer. Joop maakte alsnog aanstalten om Tippi een groet te brengen. Ik liet het niet toe en trok hem met me mee. Nog een keer keek Joop om. Ik ook. We zagen een droeve blik. Een kwispelende staart kwam langzaam tot stilstand.