Oesters

Je zit met je vriendin te genieten in een chique restaurant. De oesters en de wijn zijn een rib uit je lijf, maar goed, dan héb je ook wat. Denk je. En dan zie je dat een oud-collega, die jou ooit in een poel van ellende stortte, een paar tafels verderop hetzelfde gerecht zit te eten. Vraag: zijn je oesters nu ineens een stuk minder lekker?

‘Ja’, zo zou een vriend van me hierop antwoorden. Althans, als ik afga op de hevige discussie die ooit tussen ons ontbrandde. Het moet in 2003 geweest zijn. Bruce was in Nederland. We hadden genoten van een dampend concert in de Rotterdamse Kuip. Tenminste, ik wel. En hij stond toch ook met een gelukzalige blik in de ogen te luisteren, zo zag ik met eigen ogen. Maar na afloop volgde een verbazingwekkende klachtenregen. Goed, de muziek was natuurlijk fantastisch geweest. Hij kon het nog altijd, The Boss. En die Weinberg, wat een geweldenaar… Elk lid van The E Street Band passeerde zo even de revue. Niets dan lof. Tótdat het publiek ter sprake kwam.

Of ik wel gezien had wat voor mensen er in de Kuip geweest waren? In de verste verte geen Ghanees, Turk of Tibetaan te bekennen. En dat in zijn eigen multiculturele Rotterdam! Slechts witte heren van middelbare leeftijd had hij gezien. Brave Deloitte-mannetjes die colbert en stropdas nog net op tijd in een kluis op het centraal station hadden kunnen proppen. En dat stond hier nu allemaal doodleuk met Bruce mee te blèren op Racing In The Street. Het toppunt was wel geweest dat een kalende, pijprokende man – serieus, een píjprokende man – hem vriendelijk verzocht om  – moet je je voorstellen – ergens anders te gaan staan omdat hij het zicht voor zijn vrouw belemmerde. Fuck toch een end off, zeg!!! Nee, al met al was het een behoorlijk teleurstellende avond geweest… Kwam ook door Bruce zelf. ‘Want als hij dit soort mensen aantrekt, is er kennelijk iets mis met zijn uitstraling, misschien zelfs wel met zijn muziek’, zo luidde de redenering. En verdomd, nu hij er nog eens goed over nadacht: The Rising (toen net verschenen) was toch niet dat topalbum waarvoor hij het aanvankelijk hield. Beetje zeikerige plaat eigenlijk…

Wat was hier aan de hand? Het bekende verhaal van de rebel die zich plotsklaps weerspiegeld zag in de mensen om hem heen? Die zich realiseerde dat hij nu zelf bij de gevestigde orde hoorde, maar daar eigenlijk niet aan wilde? Omdat zijn rock ‘n roll-heart voor eeuwig zou blijven kloppen, was het niet in een jong lichaam, dan toch zeker in een jeugdige inborst? Zelf was ik die avond zo into Springsteen dat ik me geen moment met het publiek had bezig gehouden. Zijn klachtenregen nam ik niet serieus. De drank was in mijn ogen de hoofdschuldige.

Ruim een maand later stonden we in Ahoy. We keken en luisterden naar de Counting Crows want Hard Candy vond ik een heerlijke plaat. Er was aanstekelijk voorwerk van Bettie Serveert en van – God hebbe zijn ziel – Solomon Burke. Maar bij de Crows wilde de vonk maar niet overslaan. Althans, niet bij ons; de rest van het publiek was wildenthousiast. Ze wiegden met de vlammetjes van hun aanstekers heen en weer tijdens het akoestische deel van de set. ‘Gatsie’, dacht ik. ‘Hebben de Crows zó’n publiek?!’ Hard Candy staat sindsdien onaangeroerd in de kast.