Nijmegen als anachronisme

Nooit gedacht dat ik ooit nog eens met plezier een smartlap zou zingen, maar met één lied is dat toch echt waar. De eerste keer dat ik het met mijn koor Bianca Castafiore zong, in een zaal vol mensen, werden de ogen verdorie nog vochtig ook. Kwam door Jannie. Onze alt soleerde, naast háár Jan als tweede stem,  tijdens de coupletten naar grote hoogten en wist een snaar te raken waarvan ik niet wist dat ik hem had. Vooral bij de zin ‘Maar de avondzon schijnt nergens zo mooi’ kon je me wegdragen. Het refrein zongen we vervolgens zonder opsmuk unisono mee:

Ik ben niet van hier, ik ben hier niet geboren

Maar ik woon hier al jaren en hier staat mijn huis.

Wat zou ik nog ergens anders gaan halen?

Hier wonen mijn vrienden, ik voel me hier thuis.

Het zou het lijflied kunnen zijn voor de import-Nijmegenaar. Ik woon er dan wel niet maar heb toch veel met die stad. Elke week fietsen we vanuit ons suffe dorp wel een paar keer noordwaarts. Door het bos of over ‘de Anna’ vanwaar je de toren van de Sint Steven al van verre ziet wenken. Soms meen ik hem te zien hoofdschudden:  ‘Waarom woon je niet gewoon hier, bij mij?’

Nijmegen. Ik voelde me er inderdaad  – zoals het lied zegt – direct thuis toen ik er bijna vijfentwintig jaar geleden heen trok voor mijn lief en de studie, en op kamers ging wonen. De stad aan de majestueuze Waal met haar Valkhof, prachtige stadsvilla’s aan plechtstatige singels, grote cafédichtheid, Romeinse verleden, studentikoze eetcafés, schitterende omgeving (de Ooij!) en dat gigantische Vierdaagse-evenement… ik hield er een permanent vakantiegevoel aan over.

Maar wat was het ook een rare stad: on-Nederlandse hoogteverschillen in oost, onvindbare straatnaambordjes, foeilelijke warenhuizen tegenover een monumentaal Waaggebouw, onverstaanbare popzangers, paardenmest om het Waalwater tegen te houden én: een afschuwelijk soort plat. Want: je hebt de nagel over het schoolbord, je hebt de tandartsboor en je hebt het Nijmeegs. ‘Kijk daar’ wordt ‘Kiek duir’. Die ‘ui’… hij lijkt een beetje op de klank die je uitstoot als je merkt dat je een stuk bedorven appeltaart eet. En dan de zinsconstructies: ‘Doe jij dat even maken?’ Winkels zijn in deze stad ook niet open, maar ‘los’. Soms kan ik een aardig eindje weg imiteren, maar Nijmeegs praten… het lukt me gewoon niet. Of wil ik het niet kunnen?

Bizar is het Keizer Karelplein, berucht in het ganse land. Zes wegen leiden naar een strijdperk waar geldt: ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’. Het enorme verkeersplein – een rotonde, maar dat woord is hier veel te beschaafd voor – kent geen markeringen en dus geen rijbanen. Alsof het wil zeggen: ‘Zoek het zelf maar uit, sterkte!’ Het is een arena die je eerder in hectische wereldsteden als Mexico Stad, Istanbul of Jakarta verwacht. Maar nee, Nijmegen! Ook al valt het aantal ongelukken enorm mee (juist door het ontbreken van strepen op het wegdek is iedereen extra alert), er zijn genoeg automobilisten die het plein voor geen goud oprijden. In het midden bevindt zich een mooi parkje, het oog van de orkaan. Geen idee hoe je er als voetganger zou moeten komen. Je ziet er dan ook niemand, op de groenwerkers en een enkele dronken zwerver na die waarschijnlijk zonder het zelf te weten met heel veel geluk dit stukje stadsgroen wist te bereiken.

Als niet-automobilist heb ik het een stuk gemakkelijker. Al moet je als fietser evenzo goed op je hoede zijn, zeker sinds het omringende fietspad tweerichtingsverkeer is en honderden tegenliggers je tegemoetkomen tijdens één rondje Keizer Karel. Studentenstad hè?

Het zijn diezelfde studenten die er nog altijd voor zorgen, zo beweren politici ter rechterzijde knarsetandend, dat links het zelfs nú nog voor het zeggen heeft in deze stad. Havana aan de Waal mag dan verleden tijd zijn door de deelname van D66 aan de huidige stadscoalitie, Nijmegen blijft in politiek opzicht hét anachronisme van Nederland. Gezien de tijdgeest krijg ik steeds vaker de neiging om anachronismen te koesteren.

 

The Big Man

Vrijdag 2 april 1982 was geen schokkende dag in de wereldgeschiedenis. Tenminste, niet dat ik weet. Het was – getuige een krabbeltje van mijn hand op de binnenhoes – wel de dag waarop ik de lp ‘Born To Run’ van Bruce Springsteen toch maar aanschafte. Toch maar? Ja, het album was zeven jaar eerder al verschenen. Tot dan toe luisterde ik ernaar via een cassettebandje dat steeds meer ging ruisen.

Pas toen ik de plaat echt in handen had, werd me duidelijk dat Bruce ons met de foto op de hoes iets wilde zeggen. Links zag je hem met een grijns op het gelaat leunen op een indrukwekkende gestalte wiens gezicht buiten het beeld viel. Pas bij het openklappen van de dubbelhoes – de foto liep door – was te zien wie dat was: saxofonist Clarence Clemons die vanonder een statige hoed op zijn instrument blies. Het was duidelijk: Bruce mocht dan The Boss zijn maar daarachter was The Big Man, zoals Bruce hem zijn hele leven lang liefkozend zou blijven noemen, letterlijk zijn steun en toeverlaat.

En nu is Clarence Clemons dood, een beroerte werd hem fataal. Achter dat zakelijke berichtje op een Teletekstpagina gaat een drama schuil. De saxofoon van Clemons was een cruciaal element in Springsteens werk en vormde mede de ziel van de E Street Band. De laatste jaren hoorde je soms stemmen opgaan die zeiden dat de saxsolo’s van Clarence, vooral tijdens de live concerten, verplichte nummers werden. Ze zouden de meesterwerken van Bruce devalueren tot sleetse en versleten songs.

Die mensen hebben er niets van begrepen. Zijn pijnlijke gewrichten hadden misschien hun weerslag op de timing van zijn spel, maar Clarence Clemons was tot het laatste moment in staat tot grote hoogten te reiken. Zijn mooiste solo is te horen in Jungleland, een Amerikaanse stadsopera waarin invloeden van Gershwin en Bernstein doorklinken in zijn warme tenorsaxofoon. In 2009 liet hij dat nog eens horen tijdens het concert van de E Street Band in het Londense Hyde Park. Half zittend en leunend op een kruk, dat wel, maar met een ongebroken geest, bekijk en beluister het hier.

Arme Bruce. Hij eindigt Jungleland met uithalen die doen denken aan wolvengehuil. Trekt de karavaan verder?

 

Vijverwater

Al jarenlang werk ik voor een relatief kleine, maar zeer trouwe kring van opdrachtgevers die mijn teksten met een rustgevende regelmaat opnemen in hun publicaties. Een kalm bestaan waarvan ik ergens in mijn achterhoofd ook wel wist dat het niet eeuwig kon duren. Want er komen rimpelingen, misschien wel golfjes in het vijverwater. Of die iets zullen overspoelen, is even afwachten. Feit is dat allerlei reorganisaties en bezuinigingsrondes bij enkele van mijn belangrijkste klanten grote gaten in mijn orderportefeuille dreigen te schieten. Al hoop ik dat de soep… enzovoort.

Maar het is wel tijd voor een heroriëntatie, voor een zoektocht naar nieuwe terreinen, onderwerpen en opdrachtgevers. Dat valt niet mee als je niet gewend bent de boer op te gaan en acquisitie – zeg maar – niet echt je ding is. Als ik mijn zorgen deel met anderen krijg ik dit heel vaak te horen: “Joh, jij moet gaan schrijven vanuit je passies. Iets met die muziek van jou bijvoorbeeld.” Dat ‘iets’ wordt vrijwel nooit nader omschreven, kennelijk vanuit een soort aanname van ‘je bent daar zo in thuis, dat moet toch een eitje zijn’.

Nogal wat mensen denken dat ik een muziekkenner ben. Ten onrechte. Muziekliefhebber… ja, dat wél. Ik weet wat ik mooi vind, en meestal ook wel waarom. Ik val anderen er soms tot vervelens toe mee lastig. Nu en dan lukt het om mijn enthousiasme over een singer-songwriter of een jong indiepop bandje aan anderen over te brengen. Veel mensen lieten me weten dat ze mijn lijstje van de tien beste platen van 2010 zijn gaan beluisteren (zie mijn Deurpost van 4 december 2010: Nee hè, weer een lijstje…). Dat streelt wel, natuurlijk.

Hoe ouder ik word, hoe vaker ik poptempels als Paradiso, De Melkweg en Doornroosje bezoek. Wat ik in mijn jonge jaren gemist heb, haal ik nu in hoog tempo in (op muziekgebied dan hè, andere dingen zijn een stuk moeilijker in te halen als je ouder wordt…). 2011 wordt mijn drukste concertjaar ooit. Want live muziek is heerlijk. Die spanning als je voor aanvang in het zaaltje staat. Het geroezemoes dat verstomt als de lichten uitgaan en schimmen in het donker op het podium naar hun instrumenten lopen. De spots die aangaan, de basgitaar die een fundamentje legt, de eerste klappen op de drums en de eerste uithaal op de elektrische gitaar. En vervolgens de zang… lekker meezingen met bekend werk.

Laatst was ik bij Josh Ritter. Zijn albums trekken meestal genoeglijk kabbelend voorbij. Maar op het podium is de Amerikaan als een kind zo blij. Zelden heb ik iemand met zo veel aanstekelijk spelplezier op een podium zien staan en zijn liedjes tot leven zien brengen. Hier kun je enkele amateuropnamen van dat concert in het Nijmeegse Doornroosje bekijken. Let op die pretogen!

Goed, ondertussen zou ik niet weten, wat ik – in schrijvende zin – met ‘die muziek van mij’ aan zou moeten, anders dan er af en toe aandacht voor te vragen in deze Deurposten. Dat doe ik met het grootste plezier, hoor. Alleen jammer dat de schoorsteen er niet van kan roken…